Archivio | 5:27 pm

HET LEUCHTER RAPPORT – Fred A. Leuchter

18 Ott

HET LEUCHTER RAPPORT
Fred A. Leuchter
Noot van de vertaler
Dit is de vertaling van “Auschwitz: The End of the Line. THE LEUCHTER REPORT. The first Forensic Examination of Auschwitz. , uitgegeven door Focal Point Publications, Londen, juni 1989.
Deze vertaling gebeurde naar best vermogen. Bij eventuele twijfel of discussie geldt vanzelfsprekend de originele versie. Om diverse redenen werden in deze vertaling enkel de bijlagen overgenomen, die noodzakelijk of behulpzaam zijn bij het lezen van de tekst.
Om de zaak visueel beter te kunnen vatten beveel ik de videoband “Leuchter in Poland
aan, verkrijgbaar bij de Werkgroep Vrij Historisch Onderzoek. Het standaardwerk over Auschwitz is ontegensprekelijk Stäglichs “Der Auschwitz Mythos, dat ook in het Engels en Frans verkrijgbaar is.
VHO, Antwerpen, 21 juni 1990

 

 

Inleiding
In februari van dit jaar (1988) werd ik in opdracht van de heer Ernst Zündel door Prof. Robert Faurisson gecontacteerd met het verzoek de bestaande crematoria en de zogezegde gaskamers die door de nazi’s in Polen waren gebruikt, te onderzoeken en aan een chemische analyse te onderwerpen, en om verder hiervan een evaluatie te geven en mijn opinie als deskundige te geven in verband met hun bruikbaarheid en doeltreffendheid. Na een ontmoeting met de heer Zündel, zijn verdediger Douglas H. Christie en diens stafmedewerkers, waarbij het project besproken werd, werd mij verteld dat mijn bevindingen zouden gebruikt worden in de zaak The Queen vs. Zündel, dat toen hangende was voor het Districtshof van Toronto, Canada. In het licht hiervan werd bepaald dat het onderzoek zich zou uitstrekken over Auschwitz, Birkenau en Majdanek (Lublin) en al hun crematoria en zogezegde executiegaskamers. Ik nam de opdracht aan en nam op 25 februari 1988 de leiding van een onderzoeksteam naar Polen. De groep bestond buiten mijzelf uit: mijn echtgenote Carolyn Leuchter; de heer Howard Miller, technisch tekenaar; de heer Jurgen Neumann, videocameraman en de heer Theodor Rudolf, een Poolse tolk. Op 3 maart 1988 kwamen wij terug na al de betreffende locaties te Auschwitz, Birkenau en Majdanek geïnspecteerd te hebben. Dit verslag en mijn bevindingen zijn het resultaat van het opzoekingwerk dat ik in Polen gedaan heb.
Doel en omschrijving
Het doel van dit verslag en het onderzoekswerk waarop dit verslag betrekking heeft is te bepalen of de zogezegde executiegaskamers en de crematoriavoorzieningen op de (3) drie locaties in Polen, namelijk Auschwitz, Birkenau en Majdanek zouden kunnen gewerkt hebben op de wijze zoals beschreven in de Holocaustliteratuur.
Het doel omvat het onderzoek en inspectie van de materiële uitrusting en de bouwplannen van deze uitrusting, en een beschrijving van de procedure die gebruikt werd in deze uitrusting, met het oog op het vastleggen van de hoeveelheden gas die hiertoe verbruikt werden, van de duurtijd van de aangewende procedure (d.w.z. uitvoerings- en ventilatietijd), van de afmetingen van de kamers met betrekking tot de bezettingsgraad, van de werkwijze en timing met betrekking tot het uitvoeren van de vergassing en de verbranding van de lichamen, om aldus de geloofwaardigheid van ooggetuige verslagen te kunnen toetsen.
Het doel behelst niet het vaststellen van het aantal personen dat door middel van andere methoden dan vergassing om het leven kwam, of om vast te stellen of een feitelijke Holocaust zich heeft voorgedaan. Verder is het niet de bedoeling van de auteur de Holocaust in historische termen te herdefiniëren, maar eenvoudigweg wetenschappelijk bewijsmateriaal en informatie voor te leggen die verkregen werd op de betreffende locaties en om een opinie te formuleren over de bedoeling en het gebruik van de zogezegde executiegaskamers en crematoria in de onderzochte locaties, dit op basis van al de beschikbare wetenschappelijke, technische en kwantitatieve gegevens.
Achtergrond
De hoofdonderzoeker en auteur van dit rapport is gespecialiseerd in het ontwerpen en bouwen van hardware voor terechtstellingen. Hij heeft specifiek meegewerkt aan het ontwerpen en bouwen van faciliteiten voor terechtstellingen in de Verenigde Staten op basis van het gebruik van cyaanwaterstof.
De onderzoeker bezocht de installaties te Auschwitz, Birkenau en Majdanek, maakte opmetingen, nam scheikundige stalen, nam inzage van de bouwplannen en van de literatuur van de Degesch-ontluizingskamers en hun procedures, nam inzage van de literatuur inzake het Zyklon B-gas en de aangewende materialen bij de terechtstelling. Veel van het onderzochte materiaal was literatuur die ter plaatse in Polen werd aangekocht of ingezien, met inbegrip van de originele tekeningen van de Krema’s I, II, III, IV en V.
Draagwijdte
De draagwijdte van dit rapport omvat: het materiële onderzoek ter plaatse; de kwantitatieve data verkregen, te Auschwitz, Birkenau en Majdanek; de literatuur verkregen van de officiële instanties van de drie (3) musea; kopieën van de planafdrukken van de Krema’s I, II, Hl, IV en V verkregen in de musea; gegevens betrekking hebbende op Degesch-ontluizingskamers en -faciliteiten (inbegrepen uitrusting en procedurehandleidingen voor en bij het gebruik van Zyklon B-gas); een beschrijving van de operationele procedures en van de faciliteiten in kwestie; stalen voor laboratoriumonderzoek die in de onderzochte Krema’s genomen werden.
Bovendien: data betrekking hebbende op ontwerpen van Amerikaanse gaskamers en operationele werkmethoden afkomstig van de eigen kennis en ondervinding van de auteur op dit terrein; tevens werd een studie over Amerikaanse crematoria en procedures gebruikt voor de verwezenlijking van dit rapport.
Gebruik makend van alle bovengenoemde gegevens heeft de onderzoeker de kern van deze studie beperkt tot het bepalen of:
a) de zogezegde executiegaskamers in staat waren de massamoord op menselijke wezens uit te voeren door middel van Zyklon B-gas in Auschwitz I en in Birkenau en door middel van koolstofmonoxide en/of Zyklon-B-gas in Majdanek;
b) de onderzochte Krema’s in staat waren het beweerde aantal menselijke verassingen uit te voeren in de beweerde tijdsperiode.
Synopsis en bevindingen
Na studie van de beschikbare literatuur en na onderzoek en evaluatie van de bestaande installaties te Auschwitz, Birkenau en Majdanek en op basis van een deskundige kennis inzake constructie en werking van de gaskamerprocedure, na onderzoek van crematoriumtechnologie en een inspectie van moderne crematoria, vindt de auteur geen bewijzen dat een van de installaties waarvan normaal werd beweerd dat ze executiegaskamers geweest zijn, ooit als dusdanig gebruikt werden en hij stelt verder dat op basis van de planning en bouw van deze inrichtingen, deze onmogelijk ooit zouden kunnen gebruikt zijn als executiegaskamers.
Bovendien geeft de evaluatie van de crematoria-installaties sluitend bewijsmateriaal dat het beweerde aantal crematies in de beweerde periode tegenspreekt.
Naar de beste technische beoordeling is het daarom de mening van de auteur dat geen van de onderzochte installaties ooit gebruikt werd voor de executie van mensen en dat de crematoria nooit die capaciteit, kunnen hebben opgebracht, die men hen toeschrijft.
Methodiek
De procedures die aangewend werden voor het onderzoek en de laboratoriumonderzoeken, en die resulteerden in dit rapport, waren de volgende:
1. een algemene achtergrondstudie van het beschikbare materiaal;
2. een bezoek ter plaatse en een scheikundige bestudering van de installaties in kwestie, wat ook inhield: het opnemen van fysische data (afmetingen en informatie betreffende de bouw) en het verzamelen van een belangrijke hoeveelheid stalen (steen en metselkalk) die naar de Verenigde Staten werden meegenomen voor chemische analyse;
3. een bestudering van ter plaatse opgenomen visuele logistieke gegevens;
4. een compilatie van de verworven gegevens;
5. een analyse van de verworven informatie en een vergelijking van deze informatie met de bekende en op hun bruikbaarheid bewezen plannen, fabricatiemethoden en procedures van bestaande gaskamers en crematoria;
6. een beschouwing van de chemische analyses van de ter plaatse genomen stalen;
7. besluitvorming op basis van de verworven bewijsstukken.
Gebruik van HCN en Zyklon B als ontsmettingsmiddel
Waterstofcyanide (HCN, blauwzuur of cyaanzuur) werd reeds als ontsmettingsmiddel gebruikt voor W.O.l. HCN ontstaat door middel van een chemische reactie van natriumcyanide met zwavelzuur. De reactieproducten worden normaal bewaard in keramische potten.
HCN wordt gebruikt bij bestrijding en verdelging van knaagdieren en insecten op schepen, in gebouwen en in speciaal daarvoor ontworpen kamers en ruimten. Ter bescherming van het personeel (technici) is een speciale constructie en een strikt te volgen procedure noodzakelijk. HCN is een van de krachtigste en gevaarlijkste ontsmettingsmiddelen. Speciaal hiervoor ontworpen of aangepaste gebouwen worden door alle legers en gezondheidsorganisaties in de wereld gebruikt. HCN werd ook overal gebruikt bij ziektebestrijding; vooral bij pest en tyfus, m.a.w. bij ratten-, vlooien- en luizenbestrijding. Vele installaties voor ontsmetting werden gemaakt in opdracht van Degesch, een Duitse firma gevestigd te Frankfurt-am-Main. Tijdens de oorlog had Degesch het toezicht over de verdeling van Zyklon B. Degesch produceert nu nog HCN.
Zyklon B was een speciaal handelsproduct dat blauwzuur bevat. De naam “Zyklon B” was een handelsbenaming. HCN werd in de fabriek gemaakt en afgeleverd in een verpakking waarbij het HCN geabsorbeerd was in een poreuze drager, ofwel houtpulp ofwel aarde (kalk). Het werd geleverd in schijfjes, schilfers of korrels. Het preparaat was verzegeld in een luchtdichte container, die slechts kon worden geopend met behulp van een speciale sleutel. In deze vorm was HCN/Zyklon B veel veiliger en gemakkelijk te behandelen. Men verspreidde de schijfjes, schilfers of korrels over de vloer in de ruimte die men wenste te ontsmetten. Ofwel werd het in een ruimte gebruikt met luchtcirculatie, verwarmd tot 26°C of meer. Bij gebruik in gebouwen, schepen of tenten (om bomen en vruchten te ontsmetten) moet de lucht verwarmd worden tot meer dan 26°C, zijnde het kookpunt van HCN. Indien dit niet het geval is, dan is een veel langere tijd voor ontsmetting vereist. Een ontsmettingsbeurt met HCN duurt minimum 24 tot 48 uur.
Na de ontsmetting volgt een minimum ventilatietijd van 10 uur of meer, afhankelijk van de ligging (en de grootte) van het complex. Wanneer het gebouw geen ramen of uitlaatventielen heeft duurt deze ventilatie langer. Vervolgens moet de ontsmette kamer, alvorens betreden te worden, scheikundig getest worden op de aanwezigheid van gas. Soms worden gasmaskers gebruikt, maar deze bieden geen veiligheid en mogen niet langer dan 10 minuten gebruikt worden. Men dient een volledige chemisch bestendige kledij te dragen om vergiftiging via de huid te voorkomen. Hoe hoger de temperatuur en hoe droger het gebouw, des te sneller en veiliger de procedure verloopt.

 

Name
HCN, hydrocyanic acid; prussic acid
Boiling point
25,7°C/78.3°F at 760 mm Hg
Specific gravity
0,69 at 18°C/64°F
Vapor density
0,947 (air = 1)
Melting point
13,2°C/8.2°F
Vapor pressure
750 mm Hg at 25°C/77°F, 1200 mm Hg at 38°C/100°F
Solubility in water
100%
Appearance
Clear
Color
Slightly bluish
Odor
Bitter almond, very mild, non-irritating (odor is not considered a safe method of

determining presence of the poison
Hazards:
1. 1.Unstable with heat, alkaline materials and water.
2. Will explode if mixed with 20% sulphuric acid.
3. Polymerization (decomposition) will occur violently with heat, alkaline material or water. Once started, reaction is autocatalytic and uncontrollable. Will explode.
4. Flashpoint: -18°C/0°F
5. Auto ignition temperature: 538°C/1000°F
6. Flammable limits in air.
7. Volume %: lower 6, upper 41
Table 1: Gas specifications HCN, Source Hydrogen Cyanide, Dupont publication, 7-83.

 

Criteria bij de bouw van een ontsmettingsinstallatie
Een ontsmettingsinstallatie, zij het een gebouw of kamer, moet in beide gevallen voldoen aan dezelfde basisvereisten. Ze moet volkomen hermetisch kunnen afgesloten worden; ze moet verwarmbaar zijn en beschikken over zowel luchtcirculatie- als luchtafzuigapparatuur; verder moet er een voldoende hoge schoorsteen voor de uitstoot voorzien zijn (minstens ca 13 meter) of een verbrandingsfaciliteit voor deze uitstoot en tenslotte een aangepast systeem voor de gelijkmatige verspreiding van het gas (of Zyklon B).
Vooreerst, als men nu een ruimte gebruikt, moet het een gelast en drukgetest vat zijn, bedekt met een inerte (epoxy) verf of roestvrij staal of plastiek (PVC). De deuren moeten gedicht zijn met een HCN-resistent materiaal (asbest, neopreen of teflon). Gaat het om een gebouw dan dient dit opgetrokken te zijn in steen of baksteen, waarbij zowel de binnen- als de buitenkant moet afgewerkt zijn met een inerte (epoxy)verf, pek, teer of asfalt. Ramen en deuren moeten afgewerkt zijn met een afdichtingsproduct op basis van neopreen of teer; de pakkingen op basis van rubber of pek.
In beide gevallen moet de ruimte uiterst droog zijn. De term “afsluiting” heeft twee betekenissen: ten eerste het mechanisch voorkomen van lekken en ten tweede het ondoordringbaar maken van de poreuze oppervlakken van de installatie voor het Zyklon B-gas.
Ten tweede moet de kamer of installatie beschikken over een gasgenerator of distributiesysteem voor het Zyklon B-gas, dat hete lucht over het Zyklon B of de generator voert en het warme lucht/gasmengsel doet circuleren. De vereiste menging bedraagt 3.200 ppm (parts per million) ofwel 0,32% totaal volume HCN. In de gebruikte gaskamer mogen er zich geen hindernissen bevinden en moet tevens de mogelijkheid bieden voor een sterke, constante en overvloedige luchtstroom.
Ten derde moet de gaskamer of het gebouw beschikken over een uitrusting om het giftige gas/luchtmengsel af te leiden en te vervangen door zuivere lucht. Over het algemeen gebeurt dit door middel van een uitlaat- of inlaatventiel met uitlaat- of inlaatkleppen, of latwerksluizen met een voldoende capaciteit om een redelijk luchtverversingsvolume per uur te bekomen. Normalerwijze dienen ventielen met een voldoende aantal kubieke meter per minuut in staat te zijn een volledige luchtverversing door te voeren in een 1 /2 uur, en dienen op zijn minst tweemaal de vereiste tijd van één uur, dus gedurende 2 uur, in werking te blijven. Hoe groter de vergassingsruimte hoe minder praktisch het wordt om dit te realiseren (door de beperkte afmetingen van de beschikbare ventielen). De uitstotingsoperatie kan dan vele uren in beslag nemen.
De uitstoot dient op een veilige afstand boven de vergassingsinstallatie te gebeuren waar de natuurlijke luchtstroom het gas kan oplossen. Normalerwijze is dit ca. 13 meter boven het gebouw, maar kan meer zijn als de installatie zich op een tegen de wind beschutte plaats bevindt. Wordt er gebruik gemaakt van een verbrandingsinstallatie, dan is een hoogte van enkele meters voldoende. Over het algemeen is HCN-verbranding een te kostelijke operatie omwille van de hoeveelheid zuurstof die binnen een korte tijdsduur moet kunnen aangevoerd worden.
De temperatuur van de muren en de lucht in de vergassingsruimte en die van de inkomende lucht moet minstens 10°C liggen boven het kookpunt van waterstof cyaanzuur (26°C) om HCN condensatie op de wanden van de installatie te voorkomen. Is de temperatuur van vloeren, wanden en het uitstotingssysteem lager dan 26°C en treedt er condensatie op, dan moet de vergassingsinstallatie ontsmet worden door middel van een chloorbleekmiddel of ammoniak waarbij het eerstgenoemde het meest aangewezen is. Het ontsmetten gebeurt door de wanden automatisch of manueel te besproeien. Wanneer het manueel gedaan wordt, dient men beschermende (meestal neopreen) kledij te dragen en de technici dienen zuurstofmaskers te dragen. Gewone maskers zijn onveilig en gevaarlijk. Het gebouw dient voor langere tijd geëvacueerd te worden om gassen van chloorbleekwater in staat te stellen het vloeibare HCN in het uitstotingssysteem te neutraliseren. De binnenkant dient nadien met water gereinigd, gedweild en gedroogd te worden alvorens men de installatie opnieuw kan gebruiken.
Bovendien dient een luchttest in het gebouw genomen te worden om vast te stellen of alle HCN verwijderd is. Deze test kan gebeuren met een gasdetector of met de koperacetaatbenzidinetest. In het laatste geval wordt een benzideenoplossing vermengd met een koperacetaatoplossing om een teststrip te bevochtigen. Deze ondergaat een blauwkleuring met verschillende gradaties volgens de aanwezigheid van HCN.
Criteria bij de bouw van “een executiegaskamer”
De meeste vereisten voor een ontsmettingsinstallatie gelden ook voor een executie-installatie. Over het algemeen zal een executiegaskamer kleiner en efficiënter zijn. Zyklon B is niet voor zulk gebruik aangewezen daar het teveel tijd vergt om het gas uit de inerte drager op te wekken. Tot dusver bleek de enige efficiënte werkwijze erin te bestaan het gas ter plaatse te bereiden door het verwekken van de chemische reactie van natriumcyaanzuur en 18% zwavelzuur. Onlangs werd de bouw voltooid van een gasgenerator voor een gaskamer voor twee (2) personen in de strafinstelling van Jefferson City (de Missouri State Penitentiary). De auteur was hiervan de technische adviseur.
Deze generator gebruikt een elektrisch verwarmde waterboiler om op voorhand het HCN in een cilindrisch vat op kookpunt te brengen. Op het ogenblik van gebruik is het HCN reeds verdampt en wordt het via kleppen in de kamer gebracht. Een stikstof spoelsysteem reinigt de leidingen na gebruik. De totale tijdsduur van de executie beslaat minder dan vier minuten. De kamer wordt gelucht à rato van ongeveer 1 luchtverversing per twee minuten gedurende 12 minuten, zodat ongeveer zeven (7) volledige luchtverversingen plaatshebben.
De kamer kan gemaakt zijn van gelast metaal of van PVC. Deuren en ramen dienen van standaard waterdichte scheepsconstructie te zijn. De deur wordt afgesloten door één enkele drukgrendel. Alle verlichting en elektrische hardware dienen beveiligd te zijn tegen ontploffing. De kamer omvat: gasdistributieleidingen, gasgenerator met een fles vloeibaar HCN, elektronische hartmonitoring, twee (2) zitplaatsen voor de veroordeelden en een extern leesbare gasdetector die per 10 ppm (parts per million) elektronisch afleesbaar is.
Daar het om een dodelijk gas gaat, staat de installatie onder negatieve druk, om met zekerheid lekkagerisico’s te vermijden. De kamer wordt gecontroleerd door een pompsysteem dat de kamer steeds onder een partiële druk van 0,7 atm. houdt (gedurende de werking: 0,5 atm. plus 0,15 atm. HCN). De onderdruk wordt bereikt met de buitendruk als referentie. Dit systeem wordt elektrisch gecontroleerd door een rotatiepomp (0.3m3/minuut). Bovendien is een drukschakelaar voorzien die een alarmsysteem in werking stelt voor het geval de druk in de kamer 0,85 atm. bereikt, een 0,21 atm. boven de operationele grens.
Het aan- en uitvoersysteem is ontworpen voor één luchtwisseling om de twee (2) minuten. De lucht wordt aangevoerd via een 50m3/min. ventiel bij de ingang en de uitvoer gebeurt via het plafond van de kamer. De ingaande en uitgaande kleppen zijn van het binnenwaarts sluitende type om vacuümverlies te voorkomen en worden elektrisch geprogrammeerd. De uitstoot gebeurt via een 13 meter hoge PVC-pijp met een doorsnee van 32,5 cm waar de wind het gas zonder gevaar verspreidt. De inkomende lucht dient te kunnen worden voorverwarmd om te voorkomen dat het HCN zou condenseren en daardoor niet meer zou kunnen worden afgevoerd.
Om veiligheidsredenen zijn gasdetectoren voorzien. Vooreerst in de kamer zelf, waardoor het elektronisch onmogelijk wordt de kamer te openen vooraleer alles veilig is; ten tweede buiten de kamer zelf in de plaats voorzien voor de getuigen en het personeel, gekoppeld aan een alarmsysteem dat automatisch bij gevaar een afzuig- en luchtaanvoersysteem in werking stelt om de getuigen te beschermen, de vergassingsprocedure te onderbreken en de ruimte te kunnen evacueren. Het beveiligingssysteem bevat verder waarschuwingsbellen, zoemers en lichten.
Verder zijn toestellen voor noodademhaling voorzien binnen het bereik van de executiekamer, een HCN-eerste-hulpkoffer, medische uitrusting voor HCN en reanimatieapparatuur in een nabijgelegen ruimte voor het medisch personeel.
Bij de bouw van executiegaskamers dient men rekening te houden met een samengaan van talrijke ingewikkelde problemen. Een fout op een bepaald gebied kan, en zal wellicht, de dood of verwonding veroorzaken van getuigen en technisch personeel.
Executiegaskamers in de Verenigde Staten sinds 1920
De eerste executiegaskamer werd in 1920 gebouwd in Arizona. Ze bestond uit een luchtdicht compartiment met hermetisch sluitende deuren en ramen, een gasgenerator, een elektrisch ontploffingsbeveiligingssysteem, een lucht aan- en afvoersysteem, een voorziening om ammoniak bij de luchtaanvoer te mengen en een mechanisch systeem om de gasgenerator en de luchtafvoer te bedienen. De luchtaanvoer bestond uit een aantal mechanisch te bedienen kleppen. Enkel de hardware werd in de loop der tijd veranderd.
De gasgenerator bestond uit een pot, gevuld met een oplossing van zwavelzuur en voorzien van een mechanisch te bedienen klep. De kamer diende na gebruik met ammoniak geschrobd te worden. Ongeveer 25 korrels van elk 13 gram natriumcyanide (325 gram) werden gebruikt en deze produceerden een concentratie van 3.200 ppm in een executiekamer van 16m3.
In de daarop volgende jaren namen andere staten de HCN-executiegaskamer over en veranderde de bouwtechniek. Eaton Metal Products ontwierp, bouwde en verbeterde de meeste gaskamers. De meeste hadden 2 stoelen en waren voorzien van een vacuümsysteem om te zorgen voor een negatieve druk en inwaartse lekkage. Alle systemen gebruikten de gasgeneratortechniek omdat het de meest efficiënte en meest eenvoudige procedure was tot laat in de zestiger jaren.
Geen enkel systeem werd ooit ontworpen voor het gebruik van Zyklon B of heeft dit ooit gebruikt. De reden is zeer eenvoudig. Zyklon B neemt teveel tijd in beslag om het HCN te vervluchtigen uit haar inerte drager en vereist vooraf opgewarmde lucht en een temperatuurregelend systeem. Niet alleen is het gas niet onmiddellijk beschikbaar, maar dreigt er voortdurend ontploffingsgevaar.
Het gasmengsel is meestal onder LEL (lower explosion limit) van het gas/luchtmengsel van 0,32% (aangezien het mengsel normaal de 3.200 ppm niet overschrijdt), maar de concentratie van het gas nabij de generator (of bij de inerte drager in het geval van Zyklon-B) is veel groter en kan wel 90% tot 99% bedragen. Dit is bijna zuivere HCN en deze situatie kan op bepaalde ogenblikken voorkomen in bepaalde gebieden van de kamer. De omgevende luchttemperatuur of de opgewarmde luchttemperatuur moet aanzienlijk hoger zijn en controleerbaar bij gebruik van Zyklon B (aangezien de verdamping een zuiver fysisch proces is). Bij een gasgenerator mag de temperatuur lager en hoeft deze niet gecontroleerd te worden aangezien de chemische reactie in de generator autokatalytisch is na het opstarten. Elektrische kontakten en schakelaars moeten tot een minimum herleid worden, beveiligd tegen ontploffingsgevaar en aan de buitenkant van de kamer aangebracht zijn. Enkel dankzij de technologie die pas in de zestiger jaren geïntroduceerd werd, gebruikt het systeem van de Missouri State Penitentiary, dat tot dusver het meest vooruitstrevende is, een gasvervluchtiger en een aanvoersysteem voor vloeibaar HCN, waardoor het gevaarlijke probleem van de behandeling en de verwijdering van het achterblijvende Pruisisch zuurresidu na de terechtstelling kan vermeden worden.
Zyklon B, dat op het eerste gezicht een efficiënter middel lijkt om gas te verwekken en het Pruisisch zuurresidu uit te schakelen, was echter geen oplossing voor dit probleem. Inderdaad, het gebruik van Zyklon B vergroot de tijdsduur van de executie en hierdoor wordt de duur van deze gevaarlijke procedure verlengd; bovendien ontstaat er ontploffingsgevaar tengevolge van de opwarmingsvereisten.
Een alternatieve oplossing zou erin bestaan hebben het gas buiten de executiekamer voor te verwarmen en het gas/ luchtmengsel via leidingen naar de executiekamer te voeren, zoals trouwens het geval is bij de Degesch-ontluizingscabines, maar dit veroorzaakt grotere lekkagerisico’s en vergroot het gevaar voor het technisch personeel. Het blijft primaire technologie en is bedoeld om in open lucht of in goed geventileerde ruimten gebruikt te worden en enkel in aanwezigheid van getraind personeel met uitsluiting van mensen zonder ervaring.
Arizona, Californië, Colorado, Maryland, Mississippi, Missouri, Nevada, Nieuw-Mexico en Noord-Carolina hebben gas gebruikt als terechtstellingsmethode. Maar omwille van de inherente gevaren bij de behandeling van het gas en de hoge kosten van het onderhoud van de uitrusting, besloten sommige staten (Nevada, Noord-Carolina en Nieuw-Mexico) tot het gebruik van dodelijke injecties, of als enige of als alternatieve mogelijkheid. De andere staten zullen dit voorbeeld wellicht volgen. De auteur trad op als adviseur voor de staten Missouri, Californië en Noord-Carolina.
Tenslotte was en is gasexecutie nog de kostelijkste terechtstellingsmethode, omwille van fabricatie, kostprijs van het HCN, de uitgebreide hardware en de onderhoudskosten van de uitrusting.
Toxische gevolgen van het HCN-gas
Medische testen hebben aangetoond dat een concentratie van 300 ppm cyaanwaterstof snel fataal is. In het algemeen wordt bij terechtstellingen een concentratie van 3.200 ppm gebruikt om een snelle dood te veroorzaken. Dit is een gewicht/volume van ongeveer 120 tot 150 gram per 0,06m3 gas, afhankelijk van temperatuur en druk. Ongeveer 100 ppm HCN is fataal binnen 30 minuten. Toxische effecten zijn: huidirritatie en huiduitslag, oogirritatie, vertroebeling van het zicht en blijvend oogletsel, niet-specifieke misselijkheid, hoofdpijn, duizeligheid, braken, verzwakking, versnelde ademhaling, verlaagde bloeddruk, bewusteloosheid, krampen, coma en dood tengevolge van een verstoring van het oxidatieve metabolisme (stofwisselingssysteem).
Cyaanwaterstof hoeft niet ingeademd te worden om dodelijk te zijn. Bij concentraties van meer dan 50 ppm moet de gebruiker chemisch bestendige kledij dragen om het lichaam te beschermen en ademhalen met behulp van zuurstofflessen. Gasmaskers zijn over het algemeen onvoldoende en zouden nooit mogen gebruikt worden. Er zijn speciale medische kits en medicamenten voorzien en deze dienen overal aanwezig te zijn waar personen met het gas in aanraking kunnen komen.
Kort historisch overzicht van de zogezegde Duitse executiegaskamers
Op basis van voor de auteur beschikbare documentatie, werd gesteld dat de Duitsers een reeks grote (drie of meer installaties) gaskamers voor terechtstellingsdoeleinden zouden gebouwd hebben te beginnen einde 1941 en deze gebruikt te hebben tot einde 1944.
Aanvankelijk vonden de eerste zogezegde vergassingen plaats in een ondergrondse ruimte te Auschwitz I; daarna in twee omgebouwde boerderijen te Birkenau (Auschwitz II) gekend als het rode en het witte huis of bunker 1 en 2, vervolgens in Krema I te Auschwitz en Krema’s II, III, IV en V te Birkenau en een experimentele installatie te Majdanek. Deze installaties zouden zogezegd gewerkt hebben met cyaanwaterstof onder de vorm van Zyklon-B. Majdanek zou ook koolstofmonoxide (CO) gebruikt hebben.
Volgens de officiële literatuur die verkregen werd in de Staatsmusea van Auschwitz en Majdanek bevonden deze executie-installaties zich in concentratiekampen in een uitermate geïndustrialiseerd gebied, waarbij de gevangenen werden gebruikt als arbeidskrachten in de op de oorlogsinspanning ingestelde fabrieken. Deze installaties beschikten ook over crematoria voor de verassing van degenen die zogezegd geëxecuteerd werden.
Bovendien zouden er ook installaties bestaan hebben die enkel CO gebruikten en die gelegen waren te Belzec, Sobibor, Treblinka en Chelmno (gaswagens). Deze installaties zouden tijdens of na W.O.II vernietigd zijn, werden door mij niet geïnspecteerd en behoren niet direct tot het voorwerp van dit rapport.
Even hier toch een kort overzicht betreffende carbon monoxide (CO). CO-gas is een betrekkelijk onaangepast executiegas: het vraagt teveel tijd om de dood tot gevolg te hebben, waarschijnlijk ongeveer 30 minuten en, bij ontoereikende luchtcirculatie, meer. Om CO te gebruiken is een hoeveelheid van 4000 ppm noodzakelijk en is het noodzakelijk de kamer onder een druk van 2,5 atm. te plaatsen. Ook werd C02 (kooldioxide) als middel vernoemd. C02 is echter nog minder geschikt dan CO. Deze gassen zouden – naar men beweert – opgewekt zijn door dieselmotoren. De uitstoot van dieselmotoren bevat zeer weinig koolstofmonoxide en vereist dat de executiekamer vooraf onder druk zou worden gezet met het lucht/gasmengsel om voldoende gas te hebben die de dood kan veroorzaken. Koolstofmonoxide in een hoeveelheid van 3.000 ppm of 0,3 % zal na blootstelling gedurende 1 uur misselijkheid en hoofdpijn tot gevolg hebben en misschien schade op lange termijn. Concentraties van 4.000 ppm en meer zullen pas fataal zijn na blootstelling gedurende ruim 1 uur. De auteur wil erop wijzen dat in een ruimte die voor de volle capaciteit gevuld is met mensen, eerder de dood zal intreden door verstikking (door verbruik van de beschikbare zuurstof) dan tengevolge van de uitwerking van het gas. M.a.w. het eenvoudig opsluiten van de te executeren personen in deze beperkte ruimte maakt het gebruik van zowel CO als C02 overbodig.
De zogezegde executie-installaties van Auschwitz I (Krema I) en van Majdanek bestaan nog, naar men beweert, in de originele vorm. Te Birkenau zijn de Krema’s II, III, IV en V ingestort of tot op de fundamenten afgebroken. Bunker I (het rode huis) bestaat niet meer en Bunker II (het witte huis) is nu herbouwd en in gebruik als private woning. Te Majdanek werd de eerste op olie gestookte verbrandingsoven met de zogezegde gaskamer herbouwd, waarbij alleen de ovens origineel zijn.
Krema I te Auschwitz, Krema’s II, III, IV en V te Birkenau en het bestaande crematorium te Majdanek zouden gecombineerde gaskamers en crematoria geweest zijn.
Het rode en het witte huis zouden uitsluitend gaskamers geweest zijn. De experimentele gaskamers te Majdanek lagen niet naast het crematorium en er was een afzonderlijk crematorium, dat nu niet meer bestaat.

Ontwerp en werkwijze van de zogezegde executiegaskamers
Het lijkt op basis van het onderzoek van de beschikbare historische documenten en van de installaties zelf dat de meeste van de zogezegde gaskamers een aanpassing zijn van een vroeger ontwerp, plan en structuur. Dit is het geval met uitzondering van de zogenaamde experimentele kamers te Majdanek, die specifiek met dat doel (gasexecutie) zouden gebouwd zijn.
Bunkers I en II worden in de literatuur van het Auschwitz Staatsmuseum omschreven als verbouwde boerderijen met verschillende hermetisch afsluitbare kamers en vensters. Deze bestaan niet meer in hun originele vorm en werden niet onderzocht. De Krema’s I, II, UI, N en V staan beschreven, en dit bleek ook zo bij nazicht, als omgebouwde lijkenhuizen (morgue) verbonden met en gehuisvest in hetzelfde gebouw als de crematoria.
Uit de inspectie ter plaatse bleek dat het om uitzonderlijk armzalige en gevaarlijke constructies gaat, indien ze hadden moeten dienen als executiegaskamers:
1. Er zijn geen hermetisch sluitende deuren, ramen of ventielen.
2. De installatie is niet bekleed met teer of een ander afsluitmiddel om lekkage of absorptie te voorkomen.
3. De nabijgelegen crematoria betekenen een permanent ontploffingsgevaar.
4. De aan het gas blootgestelde poreuze steen en metselkalk zou het HCN accumuleren en deze installatie, voor jaren voor menselijke toegang gevaarlijk maken.
5. Krema I bevindt zich naast het SS-hospitaal van Auschwitz en heeft bovendien aflopen in de vloer die verbonden zijn met de hoofdriolering van het kamp, via dewelke het gas tot in ieder gebouw van het kamp kon geraken.
6. Er waren geen luchtafvoersystemen om het gas na gebruik uit te stoten. Er was evenmin opwarmingsapparatuur of uitrusting voor ventilatie om het Zyklon B-gas naar binnen te voeren en te verdampen.
7. Naar verluidt zou men Zyklon B via dakroosters of via ramen naar binnen hebben geworpen waardoor echter een gelijkmatige verspreiding van het gas of de korrels onmogelijk was.
8. De gaskamers zijn overal vochtig en onverwarmd; zoals reeds eerder vermeld gaan vochtigheid en Zyklon B niet samen.
9. De gaskamers zijn te klein om fysisch het beweerde aantal mensen te kunnen bevatten. De deuren gaan naar binnen open, een situatie die het verwijderen van de lijken in de weg staat.
10. Indien de executieruimte volledig met mensen zou zijn gevuld, dan wordt de circulatie van het HCN hierdoor onmogelijk. Daarbij komt dat, gesteld dat het gas uiteindelijk na verloop van tijd toch de hele ruimte zou gevuld hebben, dit ook de dood tot gevolg zou hebben gehad van het personeel dat het Zyklon B door de dakroosters naar binnen heeft geworpen, bij de controle of het HCN haar uitwerking bereikt heeft.
Geen enkele van de zogezegde executiegaskamers werd gebouwd overeenkomstig de gebruikelijke ontsmettingscabines die reeds gedurende vele jaren effectief, bevredigend en veilig gewerkt hadden. Geen enkele installatie beantwoordde aan de bouw van de gekende en als efficiënt ervaren installaties die in die tijd al jaren in de Verenigde Staten operationeel waren. Het lijkt erg ongewoon dat de ontwerpers van deze zogezegde gaskamers nooit de Amerikaanse technologie geraadpleegd of verwerkt zouden hebben, aangezien de Verenigde Staten toen het enige land was dat executie door middel van gas uitvoerde.
De installaties te Majdanek zijn eveneens ongeschikt om aan het gestelde doel te beantwoorden.
Vooreerst bevindt er zich een wederopgebouwd crematorium met een zogezegde gaskamer. Enkel de verbrandingsovens zijn origineel.
1. Men beweert dat het gebouw wederopgebouwd werd volgens de originele plannen. Deze bestaan echter niet meer.
2. De installatie, zoals die er nu staat, is niet van die aard dat ze gas kan behandelen, opvangen en behouden in de zogezegde gaskamer.
3. De gaskamer zelf is te klein om er de beweerde aantallen slachtoffers te hebben kunnen opvangen.
4. Het gebouw is te vochtig en te koud om Zyklon B-gas naar wens te kunnen gebruiken. Het gas zou tot bij de ovens geraakt zijn, de technici hebben gedood en vervolgens de ontploffing en vernietiging van het gebouw hebben veroorzaakt.
5. Het gebouw opgetrokken in stortbeton is totaal verschillend van de andere gebouwen.
Kortom, het gebouw kon niet gebruikt worden voor haar zogezegde bestemming en mist zelfs de minimale voorwaarden van een gaskamerconstructie.
De tweede installatie te Majdanek staat op de plannen afgebeeld als een gebouw in U-vorm, maar vormt nu 2 aparte gebouwen. Het complex staat op de plannen aangeduid als bad- en desinfectiegebouw 1 en 2. Een van de gebouwen is duidelijk een desinfecteerinstallatie en is opgevat zoals de andere ontluizingsinstallaties in Birkenau. Het tweede gebouw van het complex is iets anders. Het voorste gedeelte bevat een stortbadruimte en een zogezegde gaskamer. De aanwezigheid van blauwzuurvlekken in deze kamer komt overeen met de vlekken die aangetroffen worden in de ontluizingsinstallatie van Birkenau. Deze ruimte heeft 2 raamventielen die dienden tot verluchting van de kamer na een ontluizingsprocedure. Het Zyklon B zou er manueel over de vloer verspreid zijn.
Deze ruimte is duidelijk geen executiegaskamer. Er is wel voorziening voor luchtcirculatie maar er is geen afvoerschouw voor de ontluchting. Deze ruimte, evenmin als de andere installaties, is niet gebouwd, is niet in staat of is niet gebruikt als executiegaskamer.
Achterin het gebouw bevinden zich de zogezegde experimentele gaskamers. Deze ruimte bevat een tochttunnel, een controleruimte en twee kamers die zouden gediend hebben als gaskamers. Een derde ruimte was afgesloten en niet toegankelijk voor inspectie. Deze kamers zijn uniek in die zin dat er in beide pijpleidingen liggen waarlangs zogezegd koolstofmonoxide zou kunnen gebruikt zijn, gecontroleerd vanuit de controlekamer. Een van de kamers heeft een potentiële uitlaat in het plafond, die echter zichtbaar niet naar buiten leidt. De andere kamer heeft een verwarmingssysteem om warme lucht de kamer in te stuwen. Het circulatiesysteem is ondeskundig ontworpen, waarbij de in- en uitvoeropeningen te dicht bij elkaar liggen om behoorlijk te kunnen werken en er is evenmin voorziening voor ventilatiekleppen.
Opmerkelijk is de sponning of gleuf die in de vier (4) stalen deuren te zien is, wat erop lijkt te wijzen dat er een pakking voorzien was. Het lijkt erop dat beide kamers zouden gebruikt zijn voor Zyklon B of koolstofmonoxide. Dit is echter onjuist.
Een van de twee kamers werd nooit afgewerkt en kon nooit aangewend worden voor koolstofmonoxide. Ze is evenmin ontworpen voor HCN, ondanks de bewering dat ze met dit doel gebruikt is geweest.
De grotere ruimte was niet ontworpen voor HCN gebruik. Ondanks de aanduiding op de deur van “Experimenteel”, is deze ruimte ongeschikt om een executie met CO uit te voeren omdat het in dat geval noodzakelijk is 4.000 ppm CO te produceren (de dodelijke concentratie) bij een vereiste druk van 2,5 Atm.
In beide kamers ontbreken de basisvereisten voor verluchting, verwarming, luchtcirculatie en lekkage. Nergens werd de steen, de bezetting of de metselspecie behandeld met een afdichtingsproduct, noch aan de binnenkant, noch aan de buitenkant.
Hoogst merkwaardig in dit complex is het feit dat deze kamers langs drie zijden begrensd zijn door een lager gelegen stenen wandelpad. Dit is totaal onverenigbaar met verstandige gaskamerconstructie, aangezien eventuele gasdoorsijpeling zich in deze verlaging zal opstapelen en, beschut tegen de wind, niet zou verdwijnen. Dit zou betekenen dat het hele gebied als een dodelijk val werkt, vooral bij gebruik van HCN.
De auteur moet daarom besluiten dat deze installatie nooit kan bedoeld geweest zijn voor zelfs maar een beperkt gebruik van HCN-gas.
Crematoria
Een uitwijding over crematoria, zowel oude als nieuwe, is noodzakelijk om na te gaan of de Duitse crematoria de hun toegeschreven taak hebben kunnen uitvoeren.
Het verassen van een dode is geen nieuw concept. In vele culturen was dit gedurende eeuwen gebruikelijk. Desondanks werd het door de katholieke kerk afgekeurd en niet meer toegepast tot de kerk op het einde van de 18de eeuw haar oppositie matigde.
Verassing is in het orthodoxe Judaïsme verboden. In Europa kwam crematie in beperkte mate terug in voege in het begin van de 19de eeuw. Het was aangewezen bij bestrijding van de pest, voor het vrijmaken van grond en vermeed het bijhouden van overledenen gedurende de winter wanneer de grond bevroren was.
De eerste ovens in Europa waren kolen- of cokesgestookt. De oven of vuurhaard waarin de lichamen gecremeerd worden noemt men gewoonlijk retort. De vroegste retorten waren eenvoudige ovens die al de vloeistoffen uit het lichaam kookten en het tot as herleidden. Beenderen kunnen niet verbrand worden en moesten worden verpulverd, ook nu nog, met dit verschil dat de stamper en de vijzel vervangen zijn door een vergruizingsmachine. Moderne retorten werken meestal op gas, alhoewel sommigen nog op olie werken. Geen enkel crematorium in de Verenigde Staten of Canada werkt op kolen of cokes.
Vroegere retorten waren eenvoudige droog- of bakovens die het menselijk lichaam uitdroogden. Moderne retorten blazen een vlam uit een mondstuk waardoor het lichaam vuur vat en snel verbrandt. Moderne retorten hebben bovendien een tweede of naverbranding om alle resterende afvalstoffen en gassen te verbranden. Deze tweede verbranding is een verplichting die de meeste staten opgelegd hebben om luchtverontreiniging te voorkomen. Op te merken valt dat deze vervuiling niet het gevolg is van de menselijke resten. De verontreiniging is volledig het gevolg van het gebruik van fossiele brandstoffen. Een elektrische retort zou geen verontreiniging veroorzaken, maar is financieel niet haalbaar.
Moderne retorten of crematoria verassen op een temperatuur van 1300°C. met een naverbrandingstemperatuur van 900°C. Deze hoge temperatuur zorgt ervoor dat het lichaam verbrandt en zichzelf verteert. Houten kisten en papieren dozen kunnen nu samen met het lichaam verbrand worden; in het verleden gebeurde dit niet. Enkele Europese crematoria werken traditioneel op een lagere temperatuur (800°C.) gedurende een langere tijd.
Bij een temperatuur van 1300°C. of meer en bij een luchtaanvoer van buiten uit van 80m3/min kunnen moderne retorten een lichaam in 1,25 uur cremeren. Theoretisch betekent dit 19,2 lichamen op 24 uur. De aanbeveling van de fabrikant voor een normale aanwending en bij doorlopend gebruik bedraagt drie (3) of minder crematies per dag. Ouderwetse olie-, kolen- of cokesgestookte haarden met luchtaanvoer (maar zonder direct vlamcontact) behoeven 3,5 tot 4 uur per lichaam. Dit zou theoretisch per etmaal komen op maximum 6 tot 8 lichamen. Bij normale werking rekent men op drie (3) verassingen op 24 uur.
(Deze berekeningen gelden voor 1 lichaam per retort per crematie.)
De hedendaagse retorten zijn allemaal van staal en aan de binnenzijde bekleed met hittebestendige tegels. De brandstof wordt rechtstreeks via leidingen tot aan de retort gevoerd en alle controles verlopen elektrisch en automatisch. De kolen- en cokesgevoede retorten brandden niet steeds op een constante temperatuur (ongeveer 900°C.) en moesten voortdurend manueel bijgeregeld, getemperd of opgevoerd worden. Aangezien het vuur niet direct in aanraking kwam met het lichaam, kon alleen de blazer de vlammen aanwakkeren en de temperatuur in de oven doen stijgen. Met deze rudimentaire werkwijze kon waarschijnlijk een gemiddelde temperatuur van 900°C. bereikt worden.
De crematoria die in de Duitse kampen onderzocht werden waren van dit oudere type.
Ze waren opgetrokken in rode baksteen en metselspecie en bekleed met hittebestendige tegels. Alle ovens hadden meerdere retorten, sommige waren voorzien van blaasluchtinrichting (ofschoon geen enkele oven directe verbranding had), geen enkele had naverbranding en alle werden gevoed met cokes op uitzondering van één niet meer bestaande installatie te Majdanek.
Geen enkele van de geïnspecteerde en onderzochte retorten was uitgerust voor verbranding van meerdere lichamen tegelijk.

HCN, cyaansamenstellingen en crematoria uit chemisch oogpunt
Zoals eerder gezegd werden stalen genomen van stenen, cementspecie, beton en sedimenten, geselecteerd op verschillende plaatsen in Polen. Cyaanzuur en cyaanzuurcomponenten kunnen in een locatie gedurende lange tijd sporen nalaten, en indien ze niet reageren op andere chemische elementen, achterblijven in steen en cementspecie.
Er werden 31 stalen geselecteerd uit de zogezegde gaskamers van Krema I, II, III, IV en V. Een controlestaal werd genomen in de ontluizingsinstallatie nr. 1 te Birkenau.
Het controlestaal werd genomen uit een ontluizingskamer waarvan geweten was dat er cyaanzuur werd gebruikt en dit was zichtbaar aanwezig in de vorm van blauwe vlekken. De scheikundige analyses van dit controlestaal nr. 32 vertoonden een cyaanzuur aanwezigheid van 1.050 mg/kg, een zeer hoge concentratie.
De omstandigheden van de plaatsen waar de stalen werden genomen waren identiek aan die van het controlestaal: koud, donker en vochtig. Enkel de Krema’s IV en V vormden hierop een uitzondering, in die zin dat er zonlicht was (de gebouwen werden opgeblazen) en zonlicht kan het verdwijnen van niet-geagglomereerd cyaan versnellen. Cyaanzuur verenigt zich met het ijzer in de metselspecie en in de steen en wordt ferric-ferro-cyaanzuur of Pruisisch blauwpigment, een zeer stabiele ijzer-cyaanzuursamenstelling.
De plaatsen waar de geanalyseerde stalen werden genomen staan vermeld in Tabel III.
Auschwitz I:
Krema 1 – samples #25 through #31.
Birkenau (Auschwitz II):
Krema II – samples # 1 through #7;
Krema III – samples #8 through #11;
Krema IV – samples # 13 through #20;
Krema V – samples #21 through #24;
Sample #12 is a gasket sample from the Sauna at Birkenau.
Sample #32 is the Control Sample obtained from Delousing Facility #1, Birkenau
Table III: Locations of Analyzed Samples
Te noteren valt dat zowat alle stalen negatief waren en dat de enkele die positief waren dichtbij het detectieniveau lagen (1 mg/kg); 6-7 mg/kg in Krema III, 7-9 mg/kg in Krema I. De afwezigheid van enige belangrijke meting op alle onderzochte stalen in vergelijking tot het controlestaal, dat 1.050 mg/kg aangaf, bevestigt de eerdere aanwijzingen dat deze inrichtingen geen executiegaskamers waren. De lage metingen duiden erop dat deze gebouwen, zoals trouwens alle gebouwen in deze kampen, op zeker ogenblik met Zyklon B gedesinfecteerd werden. Bovendien vertonen de plaatsen met blauwe vlekken een hoog ijzergehalte, wat wijst op ferric-ferrocyaanzuur, en geen cyaanwaterstof meer. (zie tabel IX in bijlage)
Men zou normaal verwacht hebben dat de stalen die in de zogezegde gaskamers genomen werden een veel hogere cyaanwaterstof detectie zouden moeten opgeven (tengevolge van de veel grotere hoeveelheden gas die er zouden verbruikt zijn) dan de hoeveelheid die in het controlestaal werd aangetroffen. Aangezien het tegengestelde blijkt, kan men niet anders dan besluiten dat deze installaties geen executiegaskamers geweest zijn, als bijkomende bewijsvoering bij alle andere reeds vastgestelde bewijsstukken.
Bewijsstukken omtrent de werking van de crematoria zijn niet voorhanden aangezien de oven van Krema I volledig herbouwd werd, de Krema’s II en III gedeeltelijk vernietigd, waarbij onderdelen ontbreken en Krema’s N en V niet meer bestaan. Te Majdanek is één Krema volledig verdwenen en het tweede Krema werd herbouwd, met uitzondering van de ovens.
Bij visueel onderzoek van de “Herinnerings-Asheuvel” te Majdanek blijkt de asse een vreemde kleur te hebben: beige. Echte asse van menselijke lichamen is oestergrijs. Wellicht ligt er zand in deze heuvel.
De auteur zal bijkomend in dit gedeelte de verbrandings(crematie)putten bespreken. De auteur bezocht en onderzocht deze putten persoonlijk te Birkenau.
Het meest opvallende bij deze putten is het grondwaterniveau dat zich op ongeveer 0,5 meter onder de oppervlakte bevindt. Volgens de geschreven bronnen waren deze putten 6 meter diep. Het is onmogelijk lichamen onder water te verbranden, zelfs met behulp van een artificiële versneller (benzine). Alle putten, zoals ze op de museumkaarten staan aangeduid, werden geïnspecteerd en, zoals gezegd, stond het water in al deze putten op minder dan 0,5 meter diepte (de streek van Birkenau is moerasgebied).
Het is de mening van de auteur dat er geen verbrandingsputten te Birkenau bestaan hebben.
Auschwitz: Krema I
Een gedetailleerde studie van de officieel als executiegaskamer voorgestelde installatie in Krema I en een gedetailleerde analyse van de plannen die in het museum aangeschaft werden; tonen aan dat de zogezegde gaskamer op het ogenblik van de zogezegde vergassingen in feite een lijkbergingsruimte (morgue) was, en later een schuilkelder tegen luchtaanvallen.
De schets van Krema I, opgesteld door de auteur en afgedrukt in dit rapport, slaat op de periode van 25 september 1941 tot 21 september 1944. Het toont een lijkenhuis van ongeveer 217m3 met twee deuropeningen, echter zonder uitgang naar buiten. De ene deur verleent toegang tot het crematorium en de andere deur tot de wasplaats. Waarschijnlijk bevatte geen enkele deuropening een deur, maar dit is niet te verifiëren, daar één muur en één muuropening afgebroken werden.
De gids uitgegeven door het Auschwitz Staatsmuseum vermeldt dat het gebouw zich nog in de oorspronkelijke staat bevindt, zoals op de dag van de bevrijding, 27 januari 1945.
In het lijkenhuis zijn er 4 dakroosters en er is 1 verwarmingskanaal. Dit kanaal staat open en aan niets merkt men dat het ooit gesloten is geweest. De dakroosters hebben geen afdichtingspakking en aan het nieuwe hout merkt men dat het onlangs hermaakt is. Muren en plafond zijn van pleisterkalk en de vloer is van stortbeton. Het vloeroppervlak bedraagt ongeveer 78m2. Het plafond is door zuilen ondersteund en op de vloer kan men de sporen zien waar zich vroeger de muren van de luchtschuilkelder hebben bevonden. De verlichting was en is nu evenmin beveiligd tegen ontploffingsgevaar. Er zijn afvoeropeningen in de vloer van de ruimte die in verbinding staan met de afvoer van het rioleringssysteem van het kamp.
Wanneer we 0,80m2 ruimte nemen per persoon om de gascirculatie mogelijk te maken, wat op zich al uiterst weinig is, dan kunnen maximaal 94 personen tegelijk in deze ruimte. Er werd echter geschreven dat in deze ruimte tot 600 mensen op elkaar gepakt werden. Deze zogezegde executiegaskamer is, zoals reeds eerder gezegd, niet ontworpen voor dusdanig gebruik:
1. Er is geen teken dat wijst op het bestaan van een installatie voor luchtcirculatie, ventielen of iets van die aard in het ganse gebouw.
2. Het verluchtingssysteem bestaat enkel uit vier (4) vierkante dakroosters die zich niet hoger dan 60 cm boven het dak bevinden. Het ventileren van het HCN-gas op deze manier zou er zonder twijfel toe leiden dat het gas het SS-hospitaal zou bereiken dat zich in de onmiddellijke nabijheid bevindt aan de overkant van de, weg en dat het de patiënten en het personeel zou gedood hebben.
Omdat het gebouw de volgende gebreken vertoont:
1. er zijn geen afdichtingen om lekkage te voorkomen
2. er zijn geen hermetisch sluitende deuren die het gas zouden beletten het crematorium te bereiken
3. er zijn afvoeropeningen in de vloer, waardoor het gas elk gebouw in het kamp kon bereiken
4. er is geen verwarmingsinstallatie
5. er is geen installatie voor een luchtcirculatie
6. er is geen luchtafvoersysteem of schoorsteenpijp
7. er is geen gasdistributiesysteem
8. er heerst een constante vochtigheid
9. er is geen gascirculatie mogelijk door de aanwezigheid van mensen in de ruimte
10. er is geen middel voorzien om Zyklon B op deskundige wijze in te voeren.
Het zou zelfmoord geweest zijn om deze lijkenkamer te gebruiken als executiegaskamer. Het resultaat zou een ontploffing zijn of lekken die het ganse kamp zouden vergassen.
Verder, in de veronderstelling dat de ruimten toch aldus zouden zijn gebruikt, en op basis van Degesch cijfermateriaal (110 gram per 28m3), zouden 0,86kg Zyklon B-gas iedere keer gedurende 16 uur bij 14°C gebruikt worden (het brutogewicht van Zyklon B is gelijk aan 3 maal dit van Zyklon B-gas) (volgens de ontsmettingsvoorschriften van de Duitse overheden). De ventilatie moet minstens 20 uur geduurd hebben en gevolgd zijn door testsom uit te maken of de ruimte veilig was. Het is zeer de vraag of bij ontstentenis van een luchtafvoersysteem de ruimten na een week terug zouden kunnen betreden worden.
Dit is duidelijk in tegenspraak met de beweringen dat verschillende vergassingen per dag uitgevoerd werden.
In tabel IV staande theoretische en werkelijke tijdratio’s van Krema I en van de zogezegde executiegaskamer bij maximale capaciteit.

 

Birkenau: Krema’s II, III, IV en V
Gedetailleerde bestudering van deze crematoria gaf het volgende resultaat.
Krema’s II en III vormen een spiegelbeeld en bestaan uit verschillende lijkenkelders en een crematorium met elk 15 retorten. De lijkenhallen bevonden zich in de kelder en de crematoria bevinden zich op het gelijkvloers. Er was een lift in gebruik voor het transport van de lichamen van het lijkenhuis naar het crematorium. Het gebouw is opgetrokken in baksteen, cement en beton.
De opgenomen schetsen zijn gemaakt op basis van de originele planafdrukken bekomen in het Auschwitz Staatsmuseum en uit observaties en opmetingen ter plaatse genomen.
De onderzochte ruimten waren de zogezegde gaskamers die als lijkenhuis nr. 1 op de beide tekeningen aangeduid staan. Zoals reeds werd opgemerkt voor Krema I is ook hier geen spoor van ventilatie, verwarmingssysteem, luchtcirculatiesysteem, isolering noch aan de binnenkant, noch aan de buitenkant, en zijn er evenmin deuren in het lijkenhuis van Krema II. Deze plaats werd door de auteur onderzocht en vertoonde geen spoor van deuren of deurophangingen.
Voor Krema III kon de auteur niet hetzelfde onderzoek doen, aangezien gedeelten van het bouwwerk niet meer bestaan.
Beide gebouwen hadden een dak van gewapend beton zonder enige zichtbare opening. De berichten die de ronde doen over holle pijlers waardoor het gas zou zijn aangevoerd, zijn onjuist. Al de pijlers zijn solide en van gewapend beton zoals aangeduid op de in beslag genomen Duitse plannen.
Deze installaties zouden uiterst gevaarlijk geweest zijn, indien ze als gaskamers zouden zijn gebruikt. Zulk gebruik zou onvermijdelijk de dood van het personeel tot gevolg gehad hebben, en een ontploffing op het ogenblik dat het gas het crematorium zou bereiken.
Iedere installatie had een lift van 2,1 x 1,35 meter voor het transport van de lichamen. Het is duidelijk dat deze lift enkel voldoende was voor het transport van één (1) lichaam en één personeelslid.
De zogezegde gaskamers in Krema II en III hebben een oppervlakte van 232m2. Dit biedt theoretisch plaats voor 278 mensen uitgaande van ongeveer 0,8m2 per persoon. Wanneer de gaskamer met voldoende HCN-gas zou gevuld zijn (110 gr per 28m3) en bij een plafondhoogte van 2,5m en een volume van 566m3, dan heeft men 2,2 kg Zyklon B-gas nodig. Zoals voor Krema I gaan we uit van een ventilatietijd van 1 week. Deze ventilatietijd valt nog zeer te betwijfelen, maar we nemen ze aan om onze berekeningen te kunnen maken.

Krema’s IV en V vormen eveneens een spiegelbeeld en bestaan uit crematoria met 2 stookplaatsen met elk 4 retorten, en verschillende ruimten die gebruikt werden voor lijkenberging, kantoren en voorraadplaatsen. De kamerindeling komt niet overeen met het spiegelbeeld.
Van sommige kamers wordt beweerd dat ze werden gebruikt als gaskamers. Het is onmogelijk om dit op basis van fysische waarneming te weten te komen, aangezien de gebouwen lang geleden met de grond gelijk gemaakt werden. Nergens was op de vloer of de fundamenten een spoor van afdichting vast te stellen. Volgens verslagen zou Zyklon B-gas in de vorm van korrels door muuropeningen naar binnen geworpen zijn. Deze muuropeningen bestaan nu niet meer.
Indien de plannen van dit gebouw juist zijn, dan waren deze installaties evenmin gaskamers, om dezelfde redenen als opgesomd voor Krema’s I, II en III.
Het gebouw was blijkbaar opgetrokken in rode baksteen en metselspecie met een betonnen vloer en zonder onderkeldering. Te noteren valt dat voor het bestaan van de crematie- en executie-installaties Krema IV en V geen stoffelijk bewijs aanwezig is.
Met als basis de statistieken verkregen bij het Auschwitz Staatsmuseum, de opmetingen ter plaatse van Krema’s IV en V, en een veronderstelde plafondhoogte van 8 voet, zien de berekende statistieken er als volgt uit:
Krema IV: 175m2 kunnen 209 mensen bevatten; 425m3 benodigen 1,7 kg Zyklon B-gas à rato van 0,11 kg per 28 m3.
Krema V: 476 m2 kunnen 570 mensen bevatten; 1.160m3 benodigen 4,6 kg Zyklon B-gas à rato van 0,11 kg per 28 m3.

 

Het rode en het witte gebouw, ook aangeduid als bunker 1 en 2, zouden naar men beweert uitsluitend gaskamers geweest zijn. Er bestaan geen cijfers of statistieken die op deze gebouwen betrekking hebben.
Majdanek
Te Majdanek zijn er verschillende installaties van belang.
1. het originele crematorium dat nu niet meer bestaat
2. het crematorium met de zogezegde executiegaskamer, nu heropgebouwd.
3. het bad- en desinfectiegebouw nr. 2, dat zichtbaar een ontluizingsinstallatie geweest is.
4. het bad- en desinfectiegebouw nr. 1,waarin zich een doucheruimte, een ontluizingsinstallatie, een opslagruimte en zogezegde experimentele CO- en HCN- gaskamers bevonden.
Het eerste crematorium dat apart stond en dat afgebroken werd, werd reeds eerder besproken.
Een inspectie door de ramen van de bad- en desinfectie-installatie nr. 2 die afgesloten was, bevestigt dat dit gebouw enkel als ontluizingsinstallatie gebruikt werd en gelijkt op de Birkenau-inrichting. Het wederopgebouwde crematorium en de zogezegde gaskamer, alhoewel reeds eerder besproken, zal hier nogmaals bondig bekeken worden.
De stookplaatsen zijn het enige gedeelte van de oorspronkelijke infrastructuur die niet herbouwd werden. De basisstructuur lijkt op het eerste zicht van hout te zijn, zoals al de andere gebouwen te Majdanek (uitgezonderd de experimentele gaskamers). Niettemin blijkt bij nader onderzoek dat een groot deel van het gebouw opgetrokken is uit gewapend beton, wat totaal niet overeenstemt met de bouwwijze van de rest van het kamp.
De zogezegde executiegaskamer ligt nabij het crematorium en is duidelijk niet aangepast om HCN-gas te behandelen. Het gebouw is niet geïsoleerd en is onbruikbaar voor haar zogezegde bestemming. Het is, naar men zegt, wederopgebouwd op basis van het originele plan – dat niet meer bestaat – en is fysisch gezien niets meer dan een crematorium met verschillende plaatsen voor lijkberging. Het is van alle veruit de kleinste en minst beduidende zogezegde gaskamer.
De ontluizings- en stockeerruimten in het bad- en desinfectiegebouw 1 is in L-vorm intern ingedeeld met houten tussenschot en deur. Het heeft een volume van ongeveer 217m3 en een oppervlakte van 75m3. Het is een balkenconstructie en de muren zijn bezet met pleisterkalk; in het plafond bevinden zich twee ventileeropeningen zonder sluiting. Het bevat een luchtcirculatiesysteem dat echter slecht is uitgewerkt aangezien de aan- en uitvoeropeningen te dicht bij elkaar geplaatst zijn. Blauwe vlekken, blijkbaar afkomstig van ferric-ferro-cyaanzuurpigmenten, kleuren zichtbaar de wanden.
Op basis van het ontwerp kan men opmaken dat dit een ontluizingsruimte of stockeerruimte voor ontluisde voorwerpen geweest is. De deuren hebben geen dichtingpakking en zijn niet ontworpen om hermetisch te sluiten. De kamers zijn noch van binnen noch van buiten bekleed met een afdichtingsproduct. Verschillende kamers in het gebouw waren blijvend gesloten, zodat de auteur deze niet heeft kunnen inspecteren.
Deze kamer is duidelijk geen executiegaskamer en beantwoordt aan geen enkele van de beschreven criteria.
Indien ze als dusdanig zouden gebruikt geweest zijn, dan zouden ze maximaal 90 mensen hebben kunnen bevatten en ongeveer 1 kg Zyklon B nodig hebben. De ventilatietijd zou minstens één week bedragen. De maximale gebruiksratio bedraagt 90 mensen per week.
De zogezegde experimentele gaskamers gevestigd in bad- en desinfectiegebouw 1, zijn opgetrokken in steen en verbonden met het hoofdgebouw door middel van een rudimentaire houten optrek. Het gebouw is langs drie zijden omgeven door een lager gelegen betonnen pad.
Er zijn twee kamers, een niet gedefinieerde ruimte en een controlehokje, waar zich twee stalen cilinders bevinden, waarvan wordt beweerd dat ze koolstofmonoxide zouden bevat hebben, dat via buizen naar de twee kamers leidt.
Er zijn vier stalen deuren, voorzien van een sponning, die wellicht gediend heeft om een dichting te bevatten. De deuren gaan naar buiten open en worden gesloten door middel van twee mechanische grendels en een stanggrendel. De vier deuren hebben kijkgaten en de twee binnenste deuren zijn voorzien van chemische cilinders om de lucht in de kamer te meten.
Het controlekamertje heeft een open venster van ongeveer 15x25cm, zonder voorziening om een ruit of raamkader te bevatten Er zijn horizontale en verticale tralies en de opening geeft uit op kamer 2 (zie schets). Twee deuren geven toegang tot kamer 1, één vooraan en één achteraan naar buiten. Eén deur vooraan leidt naar kamer 2. De laatste deur leidt naar een onbekende ruimte achter kamer 2.
In beide kamers is er een buizenconstructie, zogezegd voor het koolstofmonoxidegas, maar in kamer 2 is deze constructie onvolledig, en blijkbaar nooit afgewerkt.
Kamer 1 heeft een volledige buizenleiding die uitkomt in patrijzen in twee hoeken van de kamer.
Kamer 2 heeft een voorziening voor een dakventilatie, maar er blijkt nooit een opening door het dak te zijn gemaakt.
Kamer 1 heeft een luchtopwarmings- en circulatiesysteem, dat niet deskundig ontworpen werd (in- en uitvoeropeningen bevinden zich te dicht bij elkaar) en er is evenmin enige voorziening voor ventilatie.
De muren zijn bezet, dak en vloer zijn van stortbeton; maar niets is met een isolatieproduct afgewerkt, noch aan de binnen- noch aan de buitenkant.
Er zijn twee aandrijvingsystemen voor warme lucht opgetrokken onder een afdak naast het gebouw, één naast kamer 1 en het andere voor de bad- en desinfektieinrichting vooraan (zie bijlage V); geen van beide is deskundig ontworpen en de voorzieningen voor ventilatie en luchtafvoer ontbreken.
De muren in kamer 1 tonen de karakteristieke blauwe vlekken veroorzaakt door ferric-ferro-cyaanzuurpigment.
Het gebouw is onverwarmd en vochtig.
Alhoewel de gebouwen schijnbaar goed ontworpen lijken te zijn, missen zij de vereiste criteria om gebruikt te kunnen worden voor gasexecutie of ontluizingsactiviteit.
1. noch de binnenzijde noch de buitenzijde zijn voorzien van een dichtingproduct
2. het lager gelegen gaanpad is een potentiële dodelijk val, waardoor het gebouw uiterst gevaarlijk wordt.
3. kamer 2 is onvolledig en werd waarschijnlijk nooit gebruikt. De leidingen zijn onvolledig en de ventilatie door het dak werd nooit doorgetrokken.
4. alhoewel kamer 1 operationeel is voor koolstofmonoxide is deze gebrekkig geventileerd en niet operationeel voor HCN.
5. de verwarmings- en luchtcirculatie-inrichting is slecht aangebracht.
6. er is geen ventiel of schouw voorzien.
Daarom is het de beste technische beoordeling van de auteur dat kamer 1 en 2 nooit werden en nooit konden gebruikt worden als executiegaskamers. Geen enkele installatie te Majdanek is bruikbaar of werd gebruikt voor terechtstellingen.
Kamer 1 beslaat 45m2, heeft een volume van 120m3 en kan 54 personen bevatten; ze vereist ongeveer 0,5 kg Zyklon B-gas.
Kamer 2 beslaat ongeveer 20 m2, heeft een volume van 52m3 en kan 24 personen bevatten; ze vereist 22 gr Zyklon B-gas.

Voor andere zogezegde executie-inrichtingen te Chelmno (gaswagens), Belzec, Sobibor, Treblinka en andere, wordt erop gewezen dat, naar men beweert koolstofmonoxidegas gebruikt werd.
Zoals hiervoor reeds uitgelegd werd is koolstofmonoxide geen gas voor terechtstellingen. De auteur meent dat alle slachtoffers door gewone verstikking zouden zijn omgekomen, alvorens het gas zelf haar uitwerking zou hebben kunnen bereiken. Daarom is het de beste technische beoordeling van de auteur dat niemand stierf door middel van CO-vergassing.
Het document L022, voorgelegd op het Internationaal Militair Tribunaal te Neurenberg, beweert dat “1.765.000 Joden in Birkenau werden vergast tussen april 1942 en april 1944”.
In de veronderstelling dat op volle capaciteit kon gewerkt worden konden de zogezegde executiegaskamers van Birkenau maximaal 105.688 mensen doden en dit gezien over een nog langere tijdsperiode.
Besluit
Na onderzoek van alle documentatie en na inspectie van alle locaties te Auschwitz, Birkenau en Majdanek vindt de auteur de bewijsstukken overstelpend:
Er waren geen executiegaskamers op een van deze plaatsen.
Het is de beste technische beoordeling van de auteur dat de zogezegde executiegaskamers op deze locaties nooit konden gebruikt worden, of nu kunnen gebruikt worden, of ernstig kunnen beschouwd worden als executiegaskamers.
Malden, Massachussetts, 5 april 1988.
Fred Leuchter Associates
Fred A. Leuchter jr., hoofdingenieur.
BIBLIOGRAPHY
· Chemical Analysis – 32 Samples, Prepared by Alpha Analytical Labs for Fred Leuchter Associates.
· Auschwitz, Crime Against Mankind, Auschwitz State Museum, 1988
· Auschwitz, 1940-1945,
Museum Guide Book, Auschwitz State Museum.
· Majdanek, Duszak, Auschwitz State Museum, 1983
· Maps and Material,
Auschwitz and Majdanek State Museums.
· Diesel Gas Chambers – Myth Within a Myth, Berg, Spring 1984, Journal of Historical Review
· German Delousing Chambers,
Berg, Spring 1986, Journal of Historical Review
· The Hoax
of the Twentieth Century, Butz, Historical Review Press.
· Zyklon B for Pest Control, DEGESCH Publication
· Hydrogen Cyanide, Dupont Publication, 7-83
· Material Safety Data Sheet,
Dupont Publication, 8-85
· Sodium Cyanide,
Dupont Publication, 7-85
· The Mechanics
of Gassing, Faurisson, Spring 1980, Journal of Historical Review ‘
· Floor Plans.
Krema II, III, IV, V
· German Blueprints, 9-25-41; 10-16-44
· The Destruction
of the European Jews, Hilberg, Holmes & Meier, New York, 1985
· Majdanek,
Marszalek, Interpress, 1986
· Journal, 2-25-88 through 3-3-88
· Assorted Photos. by Fred A. Leuchter Associates.
· Eight (8) Drawings Krema 1, II, III, IV,V, Delousing chamber, Building No. 1; Experimental gas chambers; Unknown heater circulator; all prepared for this report by H. Miller, Fred A. Leuchter Associates
· Proposal, Missouri State Penitentiary Gas Chamber, Leuchter,, Leuchter Associates, 1987
· Zyklon B, Trial of Bruno Tesch, Lindsey, Fall 1983, Journal of Historical Review
· Majdanek Concentration Camp,
Rajca, Lublin, 1983, State Museum
· Document NI 9912, Office of Chief War Counsel for War Crimes, Zyklon B
· Sample Log, 2.25-88 through 3-2-88

tekst met tabel : http://www.vho.org/NL/b/hlr1/

 

Zyklon B

 

 

Zyklon B was de handelsnaam van een pesticide dat uiteindelijk door Nazi-Duitsland gebruikt werd in een aantal gaskamers tijdens de Holocaust.
De substantie bestond uit pellets of schijfjes houtpulp of diatomeeënaarde die geïmpregneerd waren met blauwzuur, een stabilisator en een waarschuwende geurstof. Blauwzuur (HCN) is namelijk een zeer vluchtige vloeistof met een kookpunt van 25,7 graden C. Het ruikt wel enigszins, maar niet sterk genoeg om erop te kunnen vertrouwen dat het geroken wordt voor het fataal is. De pellets gaven, zodra ze aan de open lucht blootgesteld werden, het waterstofcyanide (blauwzuur) af als damp. Blauwzuur verdampt ongeveer even gemakkelijk als ether. De functie van de korrels bestond eruit het gif hanteerbaar en makkelijker doseerbaar te maken. Het was voor de oorlog al jaren leverbaar als bestrijdingsmiddel, te gebruiken tegen veel soorten ongedierte in woningen en werd toegepast door de woning zo luchtdicht mogelijk af te sluiten en dan het product in iedere kamer te verspreiden waarna het personeel (dat gasmaskers droeg) de woning zo snel mogelijk verliet.
[bewerk]

Menselijke gevolgen
Slachtoffers van dit gas voelen in eerste instantie niks, omdat de longen geen pijnzenuwen bevatten. Daarna wordt het longvlies aangetast waarna een schrikwekkende pijn plaatsvindt. Als op dat moment verder wordt gegaan treedt een schrikwekkende pijn op over het gehele lichaam. Omdat de zenuwen geen impulsen meer door kunnen geven, kunnen de hersenen echter al gauw geen signalen meer geven aan de organen, en treedt bewusteloosheid in. Indien een slachtoffer in het 2e stadium (waarbij het longvlies wordt aangetast) kan worden gereanimeerd zal het 3 maanden duren vooralleer de longen enigszins hersteld zijn.
[bewerk]

Gebruik op mensen
Het pesticide werd door de Nazi’s gebruikt in de gaskamers van de Holocaust in de vernietigingskampen Auschwitz Birkenau en Majdanek.
Initieel werd Zyklon B in de concentratiekampen gebruikt voor ontluizen, ter bestrijding van tyfus. In september 1941 werden in Auschwitz I de eerste experimenten uitgevoerd met het doden van mensen met behulp van het vergif. Zyklon B werd daarvoor geleverd door de Duitse bedrijven Degesch (Deutsche Gesellschaft für Schädlingsbekämpfung GmbH) en Tesch und Stabenow, onder licentie van octrooi-houder I.G. Farben. De Nazi’s bevalen Degesch daartoe het Zyklon B te produceren zonder de waarschuwingsstof, wat tegen de Duitse wet was.
Na de oorlog werden twee directeurs van Tesch door een Brits oorlogstribunaal berecht en geëxecuteerd voor hun aandeel in het leveren van de stof. Zyklon B werd in de eerste instantie ontwikkeld in de jaren 1920 door Fritz Haber, een Duitse jood die in 1934 moest emigreren.
Gebruik van het woord Zyklon (het Duitse woord voor cycloon) is nog altijd een bron van woede voor sommige Joodse groeperingen. In 2002 moesten zowel Bosch Siemens Hausgeräte als Umbro pogingen laten varen om de term als handelsmerk te gebruiken voor hun producten.
De reden achter de naam Zyklon B is onduidelijk. Er bestond al een middel Zyklon-A, zie verderop. Het lijkt waarschijnlijk dat het slaat op de effectiviteit bij de bestrijding van ongedierte (denk aan het schoonmaakmiddel dat als een ‘witte tornado’ door het huis vliegt.)
Zyklon A was ook een pesticide met cyanoformaat-methyl als werkzame component. Productie ervan werd onder het Verdrag van Versailles verboden omdat het kon dienen als een reagens bij de productie van strijdgassen.
[bewerk]

Externe bronnen
· Nizkor.org (Auschwitz FAQ)
· Codoh.com (Site van CODOH, een Holocaust revisionisme organisatie die de beweringen van het Leuchter rapport bespreekt. Fred A. Leuchter was een ingenieur zonder werkelijke graad, die “wetenschappelijk” probeerde aan te tonen dat Zyklon B onmogelijk gebruikt kon zijn voor het vermoorden van mensen tijdens de Holocaust)

 

Wikipedia

nl.wikipedia.org/wiki/Zyklon_B

VERBOTEN !!!

Frederick A. Leuchter Het Leuchter-rapport, Revisionistische Bibliotheek Nr. 3, Vrij Historisch Onderzoek, Berchem 1990. (Strafkamer Hoge Raad der Nederlanden, nr. 105.393. 25.11.1997)

 

( Fonte: www.aaargh.codoh.info )

Annunci

Siegfried VERBEKE, Otto Frank publiceerde niet Anne’s authentieke dagboek

18 Ott

Amsterdamse rechtbank verwerpt eisen van Anne Frank Stichtingen tegen Belgische revisionist
Otto Frank publiceerde niet Anne’s authentieke dagboek
Siegfried Verbeke
Nadat in 1980 bij de Parijse uitgeverij “La Vieille Taupe” in het boek “Vérité historique ou vérité politique?” prof. em. Robert Faurisson in een geruchtmakend essai de authenticiteit van het dagboek van Anne Frank in twijfel had getrokken, publiceerde de Belgische revisionistische stichting “Vrij Historisch Onderzoek” in 1985 hiervan een vertaling.
Na de dood van Otto Frank in 1980 kwamen de handschriften in het bezit van het Nederlandse “Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie” (RIOD) dat in 1986 “De Dagboeken van Anne Frank” (ook genoemd “The critical edition”) publiceerde en waarin o.m. geprobeerd werd de argumenten van Robert Faurisson te weerleggen.
In 1991 publiceerde de stichting “Vrij Historisch Onderzoek” een heruitgave van het essai van Faurisson, aangevuld met een door Siegfried Verbeke opgesteld kommentaar op de bevindingen van het RIOD, onder de titel “Het ‘Dagboek’ van Anne Frank: een kritische benadering”, en verspreidde deze in Nederlandse bibliotheken en scholen.
Op 9 december 1998, 7 jaar later, legden de Anne Frank Stichting te Amsterdam en Der Anne Frankfonds te Bazel klacht neer bij de rechtbank te Amsterdam. Hun eis was tweevoudig:
De stichtingen verzochten de rechtbank
·
· als verklaring van recht uit te spreken dat het dagboek van Anne Frank (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) authentiek is en dat gedaagden (…) onrechtmatig handelen door die authenticiteit in twijfel te trekken op de (onvoldoende onderbouwde) wijze als gedaan in het boekje (…)
·
·
· gedaagden (…) te verbieden het boekje (…) alsmede ieder ander materiaal met een vergelijkbare inhoud (…) te verspreiden in Nederland (…) op straffe van (…) 25.000,- HFL voor iedere overtreding.
·
De beide Anne Frank Stichtingen steunden daarbij ten volle op de RIOD-bevindingen.
De rechter in eerste aanleg beriep zich eveneens op dit overigens voortreffelijke werk, en stelde de aanklagers op beide punten in het gelijk en veroordeelde op 9 december 1998 alle aangeklaagden, nl. Siegfried Verbeke, Robert Faurisson en de Stichting Vrij Historisch Onderzoek, in de zin zoals door eiseressen gevraagd.
Op te merken valt dat het door Siegfried Verbeke ingediende verweerschrift niet ontvankelijk werd verklaard, omdat in de Nederlandse rechtspraak een verdachte zich niet persoonlijk mag verdedigen, maar zich dient te vertegenwoordigen door een advokaat.
Siegfried Verbeke tekende tegen dit vonnis beroep aan, o.m. argumenterend dat volgens Art. 6.3 van het EVRM iedere verdachte het recht heeft zichzelf te verdedigen, zonder bijstand van een raadsman. Ditmaal werd zijn pleidooi geïntegreerd in dat van een raadsman.
De Belgisch-Vlaamse revisionist kon, op basis van de RIOD-uitgave aantonen, dat het authentieke dagboek van Anne Frank voor meer dan de helft was verloren gegaan en dat Otto Frank onder meer daarom niet het authentieke dagboek had uitgegeven of kunnen uitgeven, maar wel de door Anne Frank samengestelde roman “Het Achterhuis” als “Dagboekaantekeningen” uitgaf.
De aangeklaagde verzocht de rechtbank het eerste vonnis te vernietigen.
O2 27 april 2000 vernietigde het arrest de uitspraak van de rechtbank in eerste aanleg, en ging het Hof in Beroep niet in op het verzoek van de aanklagers om in een verklaring voor recht de authenticiteit van het dagboek te bevestigen.
Het arrest werd als volgt gemotiveerd:
·
· 6.14. Naar het oordeel van het hof valt uit de RIOD-publicatie geen andere conclusie te trekken dan dat het Gerechtelijk Laboratorium op goede gronden van oordeel is dat de manuscripten (…) door dezelfde persoon (Anne Frank) zijn geschreven als de persoon die het vergelijkingsmateriaal heeft geschreven en voorts dat Otto Frank gewetensvol de teksten van de dagboeken en de losse vellen heeft weergegeven in het typescript.
·
(Opmerking SV : Een vaststelling die niet de essentie raakt en trouwens door Siegfried Verbeke in zijn verdedigingsmemorie werd erkend. Otto Frank kopieerde wellicht gewetensvol de losse vellen, maar deze losse vellen behelsden de roman “Het Achterhuis” en niet haar authentieke dagboek)
·
· 6.15. Dit betekent niet dat daarmee een definitief einde is gemaakt aan de discussie omtrent de authenticiteit van het dagboek van Anne Frank. Aan niemand, ook niet aan Verbeke, kan het recht worden ontzegd omtrent feiten en omstandigheden die voor anderen vaststaan, twijfel te behouden en deze twijfel in voorkomende gevallen naar buiten te brengen. In zoverre gelden de rechten van artikel 9 EVRM (vrijheid van gedachten) en artikel 10 EVRM (uitingsvrijheid) onverkort als uitgangspunt.
·
· 6.16. (…) Uitingen die anderen onnodig grieven vormen een onrechtmatige inbreuk op de rechten en vrijheden van anderen en zijn om die reden ontoelaatbaar.
·
· 6.17 Door de twijfel aan de authenticiteit van het dagboek te plaatsen in de context van het revisionisme (._) worden dan ook de gevoelens van velen ernstig gekwetst. Daarmee gaat de brochure ver over de schreef van hetgeen op grond van de uitingsvrijheid (…) toelaatbaar is.
·
· 6.18. Voorts geldt dat de in het vonnis waarvan beroep onder 1 sub i, 1 t/m 14, geciteerde passages (Opmerking SV: zijnde woordgebruik en citaten van zowel Faurisson als Verbeke) uit de brochure zijn aan te merken als onnodig grievende uitlatingen jegens Otto Frank. Die uitlatingen bezoedelen willens en wetens de nagedachtenis van Otto Frank en maken derhalve inbreuk op de eer en goede naam van AFF.
·
· 6.19. Het komt er derhalve op neer dat het hof van oordeel is dat Verbeke onrechtmatig heeft gehandeld door op de wijze als in de brochure wordt gedaan de authenticiteit van het dagboek van Anne Frank in twijfel te trekken (…)
(Opmerking SV: De onrechtmatigheid schuilt “in de wijze waarop” en niet in het ontkennen van de authenticiteit op zich)
·
· 6.23. (…) Verbeke concludeert dat de RIOD-versie A authentiek is en de RIOD-versie C (het typescript van Otto Frank zoals dat door uitgeverij Contact/Bakker is gepubliceerd) ten onrechte in de RIOD-uitgave als authentiek wordt aangemerkt.
· 6.24. Deze bezwaren kunnen Verbeke niet baten, aangezien zij de kern van de zaak niet raken. Verbeke ziet er aan voorbij dat het in deze procedure niet gaat om een inhoudelijke beoordeling van de RIOD-uitgave, maar om de vraag of de brochure op onrechtmatige wijze inbreuk maakt op de rechten en vrijheden van anderen (…)
(Opmerking SV : Nochtans vroegen de eiseressen het hof om een inhoudelijke beoordeling)
·
· 6.26. (…) Het gaat in deze procedure immers niet om de authenticiteit van de manuscripten die na de oorlog aan Otto Frank zijn overhandigd en die door het Gerechtelijk Laboratorium zijn onderzocht, maar om de vraag of de authenticiteit van die manuscripten in twijfel mag getrokken worden op een wijze zoals dat in de brochure wordt gedaan (…)
(SV: Zelfde opmerking als hierboven)
· 6.33.De bezwaren tegen het verspreidingsverbod zijn in zoverre gegrond dat dit verbod niet aansluit op de genoemde verklaring voor recht. Het hof zal dit verbod, voorzover dit geldt jegens Verbeke, opnieuw formuleren als hierna in het dictum te vermelden.
· 7.2. Het verspreidingsverbod zoals door de rechtbank werd uitgesproken wordt vernietigd; het hof formuleert een ander verbod.(…)
· 8. Beslissing. Het hof:
· vernietigt het tweede deel van het dictum (…) en in zoverre op nieuw rechtdoende:
· verbiedt Verbeke de brochure () alsmede ieder ander materiaal waarin op de wijze als in die brochure wordt gedaan de authenticiteit van het dagboek in twijfel wordt getrokken, op welke wijze dan ook te verspreiden in Nederland (…)
Het verschil zit hierin:
·
· het eerste vonnis verbood de uitgave van de brochure, alsmede ieder ander materiaal met een vergelijkbare inhoud, omdat de authenticiteit als bewezen werd geacht.
·
·
· het arrest (vonnis in beroep) verbiedt de brochure, alsmede ieder ander materiaal waarin de authenticiteit wordt in twijfel wordt getrokken, indien dit gebeurt op de wijze als in die brochure werd gedaan.
·
Met andere woorden: dit mag niet gebeuren in het kader van het revisionisme en het in twijfel trekken van de holocaust, en evenmin in bewoordingen zoals gedaan in de passages die door de eerste rechter werden geciteerd onder alinea i.
Anders gezegd:
“Ouod licet Jovi, non licet bovi!”Joden mogen Irvings reputatie door het slijk halen, vrachten leugens uitstorten over het Duitse volk en de revisionisten die het voor ernstige geschiedschrijving opnemen, maar deze mogen niet raken aan strijdvragen of personen, die (door wie?) tot een “symboolfunctie” werden gepromoveerd.
siegfriedverbeke@hotmail.com

( Fonte: www.aaargh.codoh.info )

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST

18 Ott

Gerechtshof Amsterdam

 

 

27 april 2000 (bij vervroeging)

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST

in de zaak van:

SIEGFRIED MARIA THEO CORNEEL VERBEKE,

wonende te Antwerpen, België,

APPELLANT,

procureur: mr. C.N.M. Dekker,

t e g e n

 

1. de stichting ANNE FRANK STICHTING,

gevestigd te Amsterdam,

 

2. de rechtspersoon naar Zwitsers recht

DER ANNE FRANK FONDS,

gevestigd te Basel, Zwitserland,

GEINTIMEERDEN,

procureur: mr. H.F. Doeleman.

 

1. Het geding in hoger beroep

Appellant, Verbeke, is bij exploot van 26 februari 1999 in hoger beroep gekomen van een vonnis dat door de arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder rolnummer H 94.0028 tussen geïntimeerden, AFS en AFF, als eisers en Verbeke als één der vier gedaagden is gewezen en dat is uitgesproken op 9 december 1998, met dagvaarding van AFS en AFF voor dit hof.

Bij memorie, met producties, heeft Verbeke tegen genoemd vonnis zeven bezwaren en acht grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd, naar het hof aan de hand van de appèldagvaarding begrijpt, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest alsnog de onbevoegdheid uit zal spreken, dan wel AFS en AFF alsnog niet ontvankelijk zal verklaren, dan wel de vorderingen zal ontzeggen en AFS en AFF zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

AFS en AFF hebben bij memorie van antwoord, met producties, de grieven van Verbeke bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep met veroordeling van Verbeke in de kosten van het hoger beroep.

Vervolgens hebben AFS en AFF de stukken van het geding in beide instanties overgelegd aan het hof voor het wijzen van arrest. De inhoud van al deze stukken geldt als hier ingevoegd.

2. De bevoegdheid van rechtbank en hof

 

2.1 Verbeke concludeert in de appèldagvaarding dat het hof de onbevoegdheid zal uitspreken. Hij verzuimt echter bij memorie van grieven aan te geven wat er zijns inziens mis is met hetgeen de rechtbank, in overweging 4 van het vonnis waarvan beroep, heeft overwogen en beslist met betrekking tot haar relatieve bevoegdheid.

2.2 Het hof onderschrijft genoemde overweging. De rechtbank Amsterdam heeft zich terecht en op goede gronden bevoegd verklaard van het onderhavige geschil kennis te nemen.

 

2.3 Nu de rechtbank Amsterdam ook absoluut bevoegd was van het onderhavige geschil kennis te nemen en genoemde rechtbank binnen het rechtsgebied van dit hof is gelegen, is het hof zowel absoluut als relatief bevoegd over de zaak in hoger beroep te oordelen.

3. De bezwaren en grieven

 

3.1 Voor de inhoud van de bezwaren en grieven van Verbeke verwijst het hof naar de memorie van Verbeke.

 

3.2 AFS en AFF stellen zich op het standpunt dat het hof, gelet op de verplichte procesvertegenwoordiging in een geding als het onderhavige, geen acht mag slaan op de bezwaren van Verbeke. Deze bezwaren zijn immers door Verbeke zelf opgesteld en de procureur van Verbeke heeft ze niet in de grieven gentegreerd. AFS en AFF concluderen daaruit dat de procureur van Verbeke van genoemde bezwaren afstand heeft genomen.

3.3 Dit standpunt wordt door het hof niet gedeeld. Het hof is van oordeel dat de procureur van Verbeke, door genoemde bezwaren in de memorie van grieven op te nemen, deze wel degelijk voor zijn rekening heeft genomen. Het hof zal genoemde bezwaren derhalve, als en voorzover zij zijn aan te merken als behoorlijk naar voren gebrachte grieven tegen het vonnis waarvan beroep, bij de behandeling van het hoger beroep bespreken.

 

4. De feiten

In overweging 1 sub a t/m i van het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank een aantal feiten als ten processe vaststaand weergegeven. Nu tegen deze overweging geen bezwaar of grief is gericht, gelden de aldaar gememoreerde feiten ook het hof tot uitgangspunt.

5. Inleiding tot de behandeling van het hoger beroep

5.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

 

5.2 Op 25 juni 1947 verscheen bij uitgeverij Contact/Bakker te Amsterdam “Het Achterhuis. Dagboekbrieven van 12 juni 1942- 1 augustus
1944”. Het betreft de uitgave in boekvorm van een door Otto Frank vervaardigd typescript. Otto Frank heeft dit typescript, zo heeft hij steeds gesteld, vervaardigd naar het manuscript van het dagboek van zijn dochter Anne Frank. In later jaren is het dagboek van Anne Frank onder verschillende titels, in diverse versies en in vele talen gepubliceerd. Het boek is bewerkt als film en als toneelstuk. Voorts zijn er radio- en televisiebewerkingen vervaardigd. De inhoud van het dagboek van Anne Frank is aldus over de gehele wereld verspreid en bekend geraakt.

 

5.3 De familie Frank (Otto Frank, zijn echtgenote en hun beide dochters Margot en Anne) heeft -met anderen- in de oorlogsjaren ondergedoken gezeten in het achterhuis van het perceel aan de Prinsengracht 263 te Amsterdam. Op 4 augustus 1944 zijn zij daar door de Sicherheitsdienst gearresteerd. De familie Frank is overgebracht naar het kamp Westerbork en vandaar naar Auschwitz gedeporteerd. Na de oorlog is alleen Otto Frank teruggekeerd. Aangenomen wordt dat de andere gezinsleden zijn omgekomen in het kamp Bergen-Belsen.

5.4 Otto Frank heeft na zijn terugkeer enige tijd verbleven bij Miep Gies en haar echtgenoot. Miep Gies werkte ten tijde van het verblijf van de familie Frank in het achterhuis aan de Prinsengracht 263, bij het in het voorhuis van het perceel gevestigde bedrijf van Otto Frank. Miep Gies was aanwezig bij de arrestatie op 4 augustus 1944. Zij heeft na de oorlog aan Otto Frank de desbetreffende manuscripten overhandigd.

 

5.5 In 1952 is Otto Frank verhuisd naar Zwitserland. Op 24 januari
1963 heeft hij te Basel AFF op gericht. Bij “Notarielles Testament” van 15 december 1978 heeft hij AFF benoemd tot zijn enig erfgename. Bij genoemd testament is voorts bepaald dat de licentierechten van het boek “Het dagboek van Anne Frank” en van alle bewerkingen toekomen aan AFF. Aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentie (RIOD) heeft Otto Frank onder meer alle manuscripten van Anne Frank nagelaten. Otto Frank is in 1980 overleden.

 

5.6 Op 3 mei 1957 is te Amsterdam AFS opgericht. AFS heeft, zo blijkt uit haar statuten, ten doel het instandhouden van het perceel Prinsengracht 263 te Amsterdam -het Anne Frank Huis- en speciaal van het daartoe behorende achterhuis, alsmede het uitdragen van de idealen, aan de wereld nagelaten in het Dagboek van Anne Frank. Dit doel tracht AFS te bevorderen door het bestrijden van vooroordeel, discriminatie en onderdrukking waar dan ook, naar vorm en inhoud, zoals omschreven in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De statuten bepalen voorts dat AFS bevoegd is haar doel na te streven door het voeren van gerechtelijke procedures.

5.7 Het RIOD heeft het materiaal dat het in november 1980 van de notaris uit Basel had ontvangen, handschriftkundig en document-technisch laten onderzoeken door het Gerechtelijk Laboratorium. Het ging daarbij met name om een poëziealbum, twee cahiers (door het Gerechtelijk Laboratorium aangeduid als de dagboeken
1, 2 en 3) alsmede om drie mappen met losse vellen papier. Voorts heeft het RIOD aan het Gerechtelijk Laboratorium vergelijkingsschrift ter beschikking gesteld. Dit vergelijkingsschrift bestond uit brieven, kaarten e.d. uit de periode 1936-1942, voor het onderduiken van de familie Frank. Het vergelijkingsmateriaal is afkomstig uit familiebezit en uit bezit van kennissen, vriendinnen en klasgenoten van Anne Frank. In 1986 verscheen de RIOD -publicatie “De Dagboeken van Anne Frank”. Dit boek bevat, behalve de publicatie van het desbetreffende materiaal, een door Ir. H.J.J. Hardy van het Gerechtelijk Laboratorium vervaardigde samenvatting van het rapport van genoemd onderzoek.

 

5.8 Hardy schrijft in deze samenvatting dat zowel de resultaten van het onderzoek van postzegels en stempels als ook andere argumenten ertoe hebben geleid dat het vergelijkingsmateriaal, waarvan het RIOD stelt dat het van Anne Frank afkomstig is, als echt en onbetwist is beschouwd. De onderzoekers van het Gerechtelijk Laboratorium komen voorts tot de conclusie dat het schrift dat voorkomt op de losse vellen en de dagboeken 1, 2 en 3, behoudens enkele aanvullingen, correcties e.d., met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig zijn van dezelfde schrijver als het vergelijkingsschrift.

5.9 Verbeke is samen met R. Faurisson auteur van de brochure “Het ‘Dagboek’ van Anne Frank: een kritische benadering” (hierna: de brochure). De brochure is in 1991 gepubliceerd in de reeks “Revisionistische Bibliotheek”, een uitgavenreeks van de vereniging “Vrij Historisch Onderzoek”. Op de brochure staat L.F. van den Bossche vermeld als uitgever. De brochure is toegezonden aan diverse bibliotheken in Nederland. In de brochure komen de passages voor zoals weergegeven in rechtsoverweging 1 sub i, 1 t/m 14 van het vonnis waarvan beroep.

 

5.10 AFS en AFF hebben in eerste aanleg Verbeke, Faurisson, de vereniging Vrij Historisch Onderzoek en Van den Bossche gedagvaard. Zij vorderen een verklaring voor recht dat het dagboek van Anne Frank authentiek is en dat gedaagden onrechtmatig handelen door die authenticiteit in twijfel te trekken op de wijze als in de brochure is gedaan. Voorts vorderen zij een verbod de brochure, alsmede ieder ander materiaal van vergelijkbare inhoud, in Nederland te verspreiden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.

5.11 De rechtbank heeft de vorderingen (behoudens het eerste deel van de gevorderde verklaring voor recht) tegen alle gedaagden toegewezen. Verbeke is als enige in hoger beroep gekomen.

 

6. Behandeling van de bezwaren en grieven van Verbeke

6.1 Grief I strekt ten betoge dat AFS en AFF niet ontvankelijk in hun vorderingen zijn nu er een onredelijk lange termijn is verlopen sedert het tijdstip (1980) waarop een der in de brochure opgenomen artikelen van R. Faurisson voor de eerste maal is gepubliceerd en het tijdstip waarop Verbeke door AFS en AFF in rechte is betrokken (1994). Vervolgens heeft de procedure bij de rechtbank ook nog eens onredelijk lang geduurd.

 

6.2 Dit betoog faalt. Aan de onderhavige procedure ligt ten grondslag de verspreiding in Nederland (in 1993) van de in 1991 verschenen brochure, niet het schrijven van het artikel “Le journal d’Anne Frank est-il authentique?” door Faurisson in 1980. Het enkele feit dat een vertaling van genoemd artikel in de onderhavige brochure is opgenomen, betekent niet dat de gestelde onrechtmatige daad die de grondslag van de onderhavige vorderingen vormt reeds in 1980 is gepleegd. Dat in de procedure in eerste aanleg, die in 1994 is gestart, pas op 9 december
1998 een eindvonnis is gewezen, betekent voorts niet dat deze procedure zich niet binnen een redelijke termijn heeft voltrokken. Partijen hebben ruimschoots de tijd genomen voor het voeren van het schriftelijk debat. Gesteld noch gebleken is dat Verbeke zich bij de rolrechter tegen deze gang van zaken heeft verzet.

6.3 Grief II betreft eveneens de ontvankelijkheid. Volgens Verbeke zijn AFS en AFF niet ontvankelijk in hun vorderingen aangezien zij te dezen geen enkel rechtens te respecteren belang hebben.

6.4 Deze redenering gaat niet op.

 

6.5 Wat het belang van AFS betreft, staat vast dat de idealen zoals die tot uiting zijn gebracht in het dagboek van Anne Frank in al zijn verschijningsvormen, over de gehele wereld zijn verspreid en ingang hebben gevonden. Velen brengen deze idealen in verband met de fundamentele vrijheidsrechten, zoals die zijn neergelegd in diverse internationale verklaringen en verdragen. Nu AFS ten doel heeft de idealen uit het dagboek van Anne Frank uit te dragen onder meer door het bestrijden van vooroordeel, discriminatie en onderdrukking, heeft zij onmiskenbaar belang bij de onderhavige vorderingen.

6.6 Ook het belang van AFF is buiten kijf. AFF is de universeel erfgenaam van Otto Frank. Bij hem berusten voorts alle licentierechten die betrekking hebben op het dagboek van Anne Frank. Bezoedeling van de nagedachtenis van Otto Frank treft AFF in zijn eer en goede naam en kan bovendien de uitoefening van genoemde licentierechten schaden. Dit betekent dat AFF zowel een immaterieel als een materieel belang bij de onderhavige vorderingen heeft.

 

6.7 Het komt er derhalve op neer dat de grieven I en II falen. AFS en AFF zijn in hun vorderingen ontvankelijk.

 

6.8 De grieven IV en V strekken ten betoge dat de verklaring voor recht en het opgelegde verspreidingsverbod inbreuk maken op het recht van Verbeke op vrijheid van gedachten en op de uitingsvrijheid van Verbeke. Deze rechten ontleent Verbeke aan de artikelen 9 lid 1 en 10 lid 1 van het EVRM. Volgens Verbeke staat het hem vrij omtrent de authenticiteit van het dagboek van Anne Frank een andere mening te hebben dan is uiteengezet in de RIOD-publicatie “De Dagboeken van Anne Frank”. Ten onrechte heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 10 lid 2 EVRM, verboden die mening te uiten.

 

6.9 Hieromtrent geldt het volgende.

 

6.10 De authenticiteit van het dagboek van Anne Frank is sedert tientallen jaren onderwerp van discussie. Op gezette tijden verschijnen publicaties waarin, op uiteenlopende gronden en in verschillende toonzettingen, betwijfeld wordt of het getypte manuscript dat Otto Frank in 1947 heeft laten publiceren alsmede de diverse latere versies en uitgaven van het dagboek van Anne Frank een waarheidsgetrouwe weergave vormen van de door Anne Frank in de periode tussen 12 juni 1942 en 1 augustus 1944 vervaardigde, en na de arrestatie van de familie Frank in het achterhuis aangetroffen, manuscripten.

 

6.11 Niet alleen het typescript van Otto Frank, maar ook het bestaan van de manuscripten van Anne Frank als zodanig, alsmede het verblijf van de familie Frank gedurende 25 maanden als onderduikers in het achterhuis van het perceel aan de Prinsengracht 263, vormen onderwerp van een vrijwel permanent debat.

 

6.12 Faurisson en Verbeke hebben zich in dat debat gemengd. Faurisson heeft in 1980 bovengenoemd artikel “Le journal d’Anne Frank est-il authentique” en in 1988 “Les écritures d’Anne Frank” gepubliceerd. Beide artikelen zijn in vertaling en voorzien van verbindende teksten van de hand van Verbeke opgenomen in de brochure van 1991 waar het in deze procedure over gaat.

 

6.13 Toen het RIOD in 1980 na het overlijden van Otto Frank op grond van diens testamentaire beschikking de manuscripten en het overige materiaal waarover Otto Frank beschikte in handen kreeg, achtte het een integrale publicatie van dit materiaal, voorzien van een samenvatting van het rapport van het onderzoek dat het Gerechtelijk Laboratorium had gedaan, noodzakelijk. Die publicatie vond plaats in
1986.

 

6.14 Naar het oordeel van het hof valt uit die publicatie geen andere conclusie te trekken dan dat het Gerechtelijk Laboratorium op goede gronden van oordeel is dat de manuscripten die het RIOD uit handen van de Zwitserse notaris heeft ontvangen door dezelfde persoon (Anne Frank) zijn geschreven als de persoon die het vergelijkingsmateriaal heeft geschreven en voorts dat Otto Frank gewetensvol de teksten van de dagboeken en de losse vellen heeft weergegeven in het typescript.

6.15 Dit betekent niet dat daarmee een definitief einde is gemaakt aan de discussie omtrent de authenticiteit van het dagboek van Anne Frank. Aan niemand, ook niet aan Verbeke, kan het recht worden ontzegd omtrent feiten en omstandigheden die voor anderen vaststaan twijfel te behouden en deze twijfel in voorkomende gevallen naar buiten te brengen. In zoverre gelden de rechten van artikel 9 EVRM (vrijheid van gedachten) en artikel 10 EVRM (uitingsvrijheid) onverkort als uitgangspunt.

 

6.16 Genoemde vrijheidsrechten vinden echter hun begrenzing in de wettelijke regels die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Uitingen die anderen onnodig grieven vormen een onrechtmatige inbreuk op de rechten en vrijheden van anderen en zijn om die reden ontoelaatbaar.

 

6.17 Bij de beoordeling van de onderhavige brochure weegt zwaar dat daarin volstrekt voorbij wordt gegaan aan de omstandigheid dat het dagboek van Anne Frank voor velen enerzijds de verschrikkingen van de tweede wereldoorlog in herinnering brengt en anderzijds symbool staat voor idealen van vrijheid en gelijkheid. Door de twijfel aan de authenticiteit van het dagboek te plaatsen in de context van het revisionisme (zoals in de paragraaf “Gevangenschap en deportatie” p.
28 en 29) worden dan ook de gevoelens van velen ernstig gekwetst. Daarmee gaat de brochure ver over de schreef van hetgeen op grond van de uitingsvrijheid van de samenstellers en verspreiders toelaatbaar is.

 

6.18 Voorts geldt dat de in het vonnis waarvan beroep onder 1 sub i, 1 t/m 14, geciteerde passages uit de brochure zijn aan te merken als onnodig grievende uitlatingen jegens Otto Frank. Die uitlatingen bezoedelen willens en wetens de nagedachtenis van Otto Frank en maken derhalve inbreuk op de eer en goede naam van AFF. Een beroep op de uitingsvrijheid kan Verbeke te dien aanzien niet baten.

6.19 Het komt er derhalve op neer dat het hof van oordeel is dat Verbeke onrechtmatig heeft gehandeld door op de wijze als in de brochure wordt gedaan de authenticiteit van het dagboek van Anne Frank in twijfel te trekken en dat hem terecht terzake een verspreidingsverbod is opgelegd. Dit betekent dat de grieven IV en V falen.

 

6.20 Grief III en de bezwaren III t/m VI hebben betrekking op de relatie tussen de brochure en de RIOD-uitgave van 1986.

6.21 Verbeke beklaagt zich met grief III -zo begrijpt het hof- dat de rechtbank Faurisson lijkt te verwijten dat hij zich niet behoorlijk in de RIOD-uitgave heeft verdiept. Verbeke voert (ter verontschuldiging van Faurisson?) aan dat diens artikel dateert uit 1980 en niet uit
1988 zoals de rechtbank heeft aangenomen.

 

6.22 Deze grief faalt reeds omdat het betoog van Verbeke berust op een misvatting omtrent de publicatiedatum van het bedoelde artikel van Faurisson. Het door de rechtbank in overweging 8.2.6 genoemde artikel van Faurisson op de bladzijden 113 t/m 118 van de brochure is immers diens artikel (“Les écritures d’Anne Frank”) uit 1988. Faurisson, die er blijk van geeft van het bestaan van het RIOD-onderzoek op de hoogte te zijn, had dus wel degelijk van de inhoud van de RIOD-uitgave van
1986 kennis kunnen nemen, ware het niet dat in 1988 (nog) geen uitgave in het Frans bestond. Voorts geldt dat de grief faalt bij gebrek aan betekenis voor het onderhavige geschil. De verspreiding van de brochure is, zoals volgt uit hetgeen hierboven is overwogen, niet onrechtmatig omdat wat in de brochure staat geschreven afwijkt van de conclusies zoals geformuleerd in de RIOD-uitgave, maar omdat op ontoelaatbare wijze inbreuk wordt gemaakt op de rechten en vrijheden van anderen.

 

6.23 Verbeke voert voorts als bezwaren aan dat het onderzoek van het Gerechtelijk Laboratorium niet deugt (bezwaar III), dat het RIOD onvoldoende aandacht heeft besteed aan de visie van Faurisson (bezwaar IV), dat de rechtbank over het hoofd heeft gezien dat Faurisson niet de authenticiteit betwist van de RIOD-versie A (bezwaar V) en dat uit de RIOD-uitgave blijkt dat het dagboek van Anne Frank, zoals het door Contact/Bakker is gepubliceerd, niet alleen is samengesteld uit (authentiek) materiaal aangetroffen in de schriften maar ook uit hetgeen op losse vellen is geschreven (bezwaar VI). Verbeke concludeert (bezwaar VII) dat de RIOD-versie A authentiek is en de RIOD-versie C (het typescript van Otto Frank zoals dat door uitgeverij Contact/Bakker is gepubliceerd) ten onrechte in de RIOD-uitgave als authentiek wordt aangemerkt.

 

6.24 Deze bezwaren kunnen Verbeke niet baten, aangezien zij de kern van de zaak niet raken. Verbeke ziet er aan voorbij dat het in deze procedure niet gaat om een inhoudelijke beoordeling van de RIOD-uitgave, maar om de vraag of de brochure op onrechtmatige wijze inbreuk maakt op de rechten en vrijheden van anderen en wel op zodanige wijze dat AFS en AFF, op grond van de belangen die voor AFS en AFF daarbij in het geding zijn, tegen de verspreiding van de brochure kunen opkomen.

 

6.25 Die vraag beantwoordt het hof, zo blijkt uit hetgeen hierboven bij de behandeling van de grieven IV en V is overwogen, bevestigend. Dit betekent dat aan genoemde bezwaren van Verbeke voorbij wordt gegaan.

 

6.26 Het hof passeert tevens het aanbod van Verbeke om Hardy en Miep Gies als getuigen te doen horen. Het gaat in deze procedure immers niet om de authenticiteit van de manuscripten die na de oorlog aan Otto Frank zijn overhandigd en die door het Gerechtelijk Laboratorium zijn onderzocht, maar om de vraag of de authenticiteit van die manuscripten in twijfel mag worden getrokken op een wijze zoals dat in de brochure wordt gedaan en of die brochure in Nederland verspreid mag worden. De stellingen die Verbeke door het doen horen van de desbetreffende getuigen wil bewijzen, zijn voor de beslissing van het onderhavige geschil dan ook niet relevant.

 

6.27 Bezwaar II is niet op te vatten als een behoorlijk voorgedragen grief. Ten overvloede overweegt het hof dat het enkele feit dat de voorzitter van de rechtbank, bij gelegenheid van het pleidooi in eerste aanleg, aan AFS en AFF een toelichting heeft gevraagd op een onderdeel van de eis, niet betekent dat de rechtbank partijdig is. Die veronderstelling mist elke grond.

 

6.28 Grief VI strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat AFF drager is van de auteursrechten die aan Otto Frank toekwamen. Verbeke wijst er op dat die vraag naar Zwitsers recht beoordeeld moet worden.

 

6.29 Dit betoog wordt door het hof onderschreven. Op grond van genoemd testament, dat in zoverre niet wordt bestreden, staat wel vast dat AFF universeel erfgenaam is van Otto Frank en dat hem de in dat testament genoemde licentierechten zijn nagelaten. Het testament maakt echter niet expliciet melding van de overgang van de auteursrechten van Otto Frank op AFF. Dit betekent dat niet zonder meer mag worden aangenomen dat AFF auteursrechthebbende is.

 

6.30 De gegrondbevinding van grief VI kan Verbeke echter niet baten. AFF heeft immers gelet op de hem toekomende licentierechten en op zijn positie als universeel erfgenaam genoegzaam aangetoond dat hij belang bij de onderhavige vorderingen heeft.

 

6.31 Bewaar I en de grieven VII en VIII hebben betrekking op het dictum van het vonnis waarvan beroep. Volgens Verbeke is de verklaring voor recht onvoldoende specifiek nu niet duidelijk is op welk dagboek deze verklaring betrekking heeft. Het verspreidingsverbod acht Verbeke te algemeen geformuleerd. Verbeke wijst er op dat hij ingevolge het rechtbankvonnis een dwangsom kan verbeuren voor de gedraging van een ander op welke gedraging hij geen invloed kan uitoefenen.

6.32 De bezwaren tegen de verklaring voor recht zijn niet gegrond. De verklaring houdt in dat de wijze waarop in de desbetreffende brochure de authenticiteit van het dagboek van Anne Frank ter discussie wordt gesteld, onrechtmatig is. Dit betreft het dagboek in al zijn verschijningsvormen, zowel de in de RIOD-uitgave opgenomen versies A, B en C als de overige openbaarmakingen. Specificatie van die verschijningsvormen is niet mogelijk en niet nodig.

6.33 De bezwaren tegen het verspreidingsverbod zijn in zoverre gegrond dat dit verbod niet aansluit op de genoemde verklaring voor recht. Het hof zal dit verbod, voorzover dit geldt jegens Verbeke, opnieuw formuleren als hierna in het dictum te vermelden.

7. Slotsom

 

7.1 Bezwaar I alsmede de grieven VI, VII en VIII zijn gegrond als voormeld. De overige bezwaren en grieven falen.

7.2 Het verspreidingsverbod zoals door de rechtbank uitgesproken wordt vernietigd; het hof formuleert een ander verbod. Voor het overige wordt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd.

 

7.3 Verbeke wordt in overwegende mate in het ongelijk gesteld; hij moet de kosten van de procedure in hoger beroep dragen.

8. Beslissing

Het hof:

 

– vernietigt het tweede deel van het dictum van het vonnis waarvan beroep (het verspreidingsverbod) -voorzover gewezen tussen AFS en AFF enerzijds en Verbeke anderzijds- en in zoverre opnieuw rechtdoende:

– verbiedt Verbeke de brochure “Het ‘Dagboek’ van Anne Frank: een kritische benadering”, alsmede ieder ander materiaal waarin op de wijze als in die brochure wordt gedaan de authenticiteit van het dagboek van Anne Frank in twijfel wordt getrokken, op welke wijze dan ook te verspreiden in Nederland, op straffe van verbeurte van een dwangsom van f.25.000,- voor iedere overtreding;

– bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

 

– veroordeelt Verbeke in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot dit arrest aan de zijde van AFS en AFF begroot op f.2.175,-;

– verklaart het verbod en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs Rutten-Roos, Thiessen en Salomons en
-bij vervroeging- uitgesproken in het openbaar op 27 april 2000.

 

http://www.nieuwsbank.nl/inp/2000/04/0427G011.htm

 

( Fonte: www.aaargh.codoh.info )